Boekenoproer

Ik heb een beslissing genomen met buitengewoon ernstige gevolgen. De Tachtigers verdwijnen uit mijn boekenkast met moderne literatuur en komen bij de negentiende eeuw te staan. Willem Kloos krijgt Jan Kneppelhout en Jan Kinker als buren, Herman Gorter staat naast Goeverneur, Couperus komt bij Da Costa, Van Eeden wordt gevolgd door Rhijnvis Feith. Ik weet het, dit wordt ruzie, ik hoor ze nu al verontwaardigd lispelen, de boeken, maar hier is overmacht in het spel.

Ik zal de boekenkastsituatie in mijn huis even uitleggen. In de woonkamer staan geen boeken. Dat heb ik lang geleden besloten, want boeken houden niet van rook en lang geleden werd er stevig gerookt in de woonkamer. Bovendien staan boeken in de woonkamer, vind ik, als een hoer achter een raam: pak me, bekijk me, leen me. En dan blijk je een boek nodig te hebben en je loopt naar de kast en het is verdwenen, totaal, helemaal. Ik word in zo'n geval nijdig, chagrijnig en ongenietbaar, blijf zoeken, verwaarloos elke andere taak, weiger te capituleren. Een enkele keer komt het boek nog te voorschijn meestal omdat de werkster het tussen kookboeken gezet heeft, soms omdat er verschillende opvattingen over alfabetiseren bestaan, maar meestal is zo'n drenkeling niet te redden. Een kwijtgeraakt boek blijft eeuwig aan mijn geheugen knagen als verloren geesteskapitaal, maar het lukt me nooit te onthouden aan wie ik het ook alweer uitgeleend had.

Geen boeken in de huiskamer dus, maar alles op de werkkamer. Ik begon in dit huis met twee kasten negentiende-eeuwse literatuur, een kast naslagwerken en literatuurgeschiedenissen, een kast buitenlandse literatuur, twee kasten moderne literatuur, een kast studieboeken, en nog wat planken oude letterkunde, operaboeken en ongeregeld goed. Modern was alles van na 1880, want zo was me geleerd op school en op de universiteit: de moderne literatuur begint in Nederland met de Tachtigers. Boeken jongen als konijnen, dus weldra waren de kasten in mijn studeerkamer vol. Mijn huis heeft een logeerkamertje met twee hoge blinde muren, en daartegen trok Sjon de timmerman houten stellingen op. De moderne literatuur verdween uit het zicht naar de logeerkamer. Alles herschikte zich tot mijn tevredenheid, want ik hield in de werkkamer een hele wand met alleen negentiende-eeuwse literatuur over, en die bandjes staan zo aangrijpend mooi in de kast. Ik kan er met innige voldoening naar kijken. Soms gluur ik vanaf de overkant van de straat bij mezelf naar binnen en denk dat daar wel een geleerde moet wonen, met zo'n hele muur vol oude boeken. Ik ben niet rigide in mijn schoonheidsgevoel, want ook heruitgaven uit latere tijd, zelfs pockets, staan gewoon op alfabet. Dus de prachtbandjes van Multatuli leunen onbarmhartig tegen een recente bloemlezing uit de Ideeën.

Maar boeken jongen als konijnen, dus moest er na enige jaren weer ruimte gemaakt worden. Op de slaapkamers wil ik om hygiënische redenen geen boekenkasten, van badkamer of keuken houden de boeken zelf niet, de woonkamer was al uitgesloten. Gelukkig heeft een huis ook nog gangen. Ik besef dat iedereen die een huis als een esthetische ruimte beschouwt hiervan gruwt, maar een boekenliefhebber leert zich behelpen. Op de overloop heeft Sjon vele nieuwe meters boekenkast getimmerd. De studieboeken en het buitenland vertrokken naar de gang, alleen de negentiende eeuw en de naslagwerken bleven over in mijn studeerkamer. En een kast Mulisch, want het was geen doen om steeds naar de logeerkamer te moeten als ik iets wilde citeren. Maar die boeken jongen ononderbroken door en nu is de logeerkamer ook vol. Ik had geen ruimte meer om de 21ste eeuw op te bergen, laat staan logés. Er vielen wel nog enkele meters vrij te schuiven in de studeerkamer, nadat ik wat oude tijdschriftenjaargangen naar de kelder had verplaatst.

Ik ben begonnen met Guido Gezelle binnen te halen, waardoor Grunberg van de opgehoopte stapel in de logeerkamerkast kon. Gezelle was nog wel te verantwoorden. Tenslotte is die geboren in 1830, slechts een jaar later dan Peter de Génestet, wiens buur hij wordt. De literatuurgeschiedenis schrijft wel dat Gezelle de eerste Tachtiger was, en dan in Vlaanderen, maar hij is toch echt in de negentiende eeuw geboren en gestorven. Gorter, Kloos, Van Eeden, Verwey, Van Deijssel gaan hem volgen.

Het overdragen staat me tegen, omdat er altijd veel heruitgaven van die Tachtigers verschenen zijn, en de charme van de oude kast dus opvallender doorbroken wordt. De twintigste eeuw echter juicht: nu zijn we weer onder elkaar, schuif eens een eindje op zodat ik ook kan ademhalen. De negentiende-eeuwers daarentegen hoor ik morren tegen de lefgozers die nu ruimte opeisen. Zij hoorden er toch nooit bij, mompelen ze verwijtend. De Tachtigers, hadden we toch afgesproken, waren twintigste eeuw en wij zijn toch die moralisten met wie zij wilden breken? Zij pretenderen toch leesbare literatuur van hoog Europees niveau geschreven te hebben en wij toch alleen maar boeken voor jou en je paar uitverkoren studenten en nog een handvol andere liefhebbers? Kunnen we dat niet zo houden, lekker onder ons?

Ik zei al dat mijn besluit vèrstrekkende gevolgen heeft. Hoe leg ik een boekenkast uit dat de normen verschoven zijn en dat ze dus moeten inschikken? Het gaat hier werkelijk niet om een eenvoudige verplaatsing, maar om een symbolische daad. Het is voorbij om de Tachtigers als modern te beschouwen. Ze worden niet meer en niet minder gelezen dan hun directe voorgangers. Alleen Couperus vindt nog vrijwillige lezers, de rest moet het hebben van scholieren, studenten en een enkele buitenissige liefhebber. Wat dat betreft staan de Tachtigers er precies hetzelfde voor als de domineedichters en hun generatiegenoten. Ze hebben een tijdlang heel veel aandacht van literair-historici gekregen, en toen verschenen er ook geregeld nieuwe edities van hun werken, maar op dit moment is het even moeilijk om Een liefde van Lodewijk van Deijssel te kopen als Ferdinand Huyck van Jacob van Lennep, allebei toppers in de Nederlandse literatuur, hoe onvergelijkbaar ook. De hele negentiende eeuw, van Bilderdijk tot Herman Heijermans, is vrijwel niet meer te lezen zonder toelichting of ervaring in het lezen van oudere teksten. Dat doet verder niets aan de waarde van die literatuur af.

Literatuur lijkt een veel sterkere verouderingscomponent te hebben dan schilderkunst of muziek. Mozart kan zonder enige scholing door iedereen genoten worden, maar zijn tijdgenoten Betje Wolff en Aagje Deken, hoe schitterend ze ook schreven, worden alleen toegankelijk na enig geploeter.

Met de verplaatsing van de Tachtigers naar hun geboorte-eeuw, erken ik dat ze hun moderne glans verloren hebben en nu ook tot de historische letterkunde behoren. Dus zo'n verandering van een paar meter boeken in een huis in Amsterdam-Zuid is waarachtig geen privé-zaak. Want dit spreekt zich rond. Mijn studenten krijgen van mij te horen dat de Tachtigers definitief hun bevoorrechte positie kwijt zijn. Mijn studenten worden leraar of redacteur of recensent, dus ze beïnvloeden grote aantallen potentiële literatuurliefhebbers. En hoeveel lezers heeft NRC wel? De oudste schrijver in mijn moderne boekenkast is nu Paul van Ostaijen, dus vanaf heden begint de moderne Nederlandse literatuur met een Vlaming, met Paul van Ostaijen.