Twee dekens en een sinaasappel

De eerste speelfilm van Eugenie Jansen gaat over de toenadering tussen een oude Indië-veteraan en een illegale puber uit Soedan. `Sommige verschillen zijn onoverbrugbaar.'

Drie dagen voordat de geluidsmontage van haar eerste speelfilm, Tussenland, ingeleverd moet worden bij het lab, wil regisseur Eugenie Jansen alles weer omgooien. De versie die ze me net op video heeft laten zien is een 's nachts met twee videorecorders gekopieerde vhs-band, waar een groot deel van de muziek en de geluidseffecten van verdwenen zijn: ,,Het is veel te vet, ik wil dat het weer net zo kaal wordt als de allereerste versie, zonder muziek.'' En dus staat ze op het punt om componist Marcel Wierckx te bellen met een akelige mededeling: misschien blijft er geen noot van over.

Zeer verrassend werd de oorspronkelijk voor televisie bedoelde debuutfilm Tussenland geselecteerd voor de competitie van het International Film Festival Rotterdam en dingt daar mee naar de drie zogeheten Tiger Awards. Een ervaren documentairemaakster als Eugenie Jansen (Sittard, 1965) streeft ook bij het maken van een speelfilm naar optimale authenticiteit en wil zoveel mogelijk aan het toeval overlaten. Tijdens de opnamen van Tussenland, het verhaal over de ontmoeting tussen een tachtigjarige veteraan van de politionele acties in Nederlands-Indië en een ongeveer vijftienjarige illegale vluchteling uit Soedan, veranderde er ook heel veel in het aanvankelijke, door Helena van der Meulen geschreven scenario. Om te beginnen bleek de werktitel Amadou niet te handhaven, want de hoofdrolspeler, asielzoeker John Kon Kelei (19), hoort tot de Dinka-stam uit het christelijke zuiden van Soedan, terwijl Amadou een moslim-naam is. De Dinka's zijn koeienherders, en dus voegde Kelei kennis toe waarmee je als illegaal in een Hollands weidelandschap overleven kunt. Hij verzamelde koeienplakken om een vuurtje van te stoken, en met de as kun je goed je tanden poetsen.

Kelei's tegenspeler, de bijna tachtigjarige Jan Munter, is een voormalig elektromonteur met ruime ervaring als figurant en bij het amateurtoneel, die echter nooit in Indië is geweest. Hij speelt ontroerend overtuigend de oude mopperaar Jakob: bitter, bokkig en een beetje autoritair. Jakob wil vooral niet herinnerd worden aan `die rottijd', gaat emoties uit de weg en heeft na de dood van zijn vrouw iedereen van zich vervreemd, zonder het te willen. Iedereen doet het verkeerd, zelfs zijn vriend en mede-oud-strijder Koos, die met zijn demente vrouw in een bejaardenhuis woont. Zijn enige dochter woont in Australië, komt zelden langs en spreekt nauwelijks meer Nederlands. De buren zijn Marokkanen, echte rotmensen, daar hoef je niks van te verwachten. De enige reden dat Jakob een praatje maakt met de Soedanese vluchteling Majok, schuilend op een bankje achter zijn tuin, is dat de Marokkaanse buren hem verjagen.

Jansen ontkent dat aan het portretteren van de oude Jakob veel research is voorafgegaan: ,,Zowel de scenarioschrijfster als ik kenden Indië-veteranen in onze eigen familie. Toen Helena van der Meulen [die eerder de speelfilms Tot ziens van Heddy Honigmann en ƒ19,99 van Mart Dominicus schreef – HB] mij benaderde om haar script te verfilmen, wilde ik natuurlijk weten waarom ze me vroeg. Ze bleek vooral te houden van mijn documentaire Nonnevotte, over een bakkersvrouw tijdens het carnaval in Sittard. Ze had er geen moeite mee dat ik het scenario als een bijbeltje op zak hield, waar de essentie in staat, zonder dat je er precies de dialogen in kunt vinden. Het maakt niet uit of je linksom of rechtsom gaat tijdens de opnamen, als de bedoeling maar duidelijk wordt. Helena was verbaasd dat ik het kleine beetje verhaal dat er in zat, ook nog had weten te slopen. Er is dus geen climax, geen loutering. Je loopt een tijdje mee met twee mensen, en dan gaat iedereen, ook de kijker, weer zijn eigen weg.''

Rode kaart

Bij het regisseren van de niet-professionele hoofdrolspelers liet Jansen zich adviseren door Ruud Schuitemaker, die een heel systeem heeft ontworpen, met gekleurde kaarten en lichtjes die aan en uit gaan, om niet-acteurs bij te sturen tijdens hun improvisaties. Een rode kaart betekent bijvoorbeeld dat ze hun mond moeten houden. Van belang bij dit systeem is dat de acteurs hun spontaniteit behouden, door ze vooraf niets te vertellen over hun rol of over het scenario. Zo belanden ze in situaties waar ze doen wat ze normaal ook zouden doen. Jan Munter moppert als Jakob dat hij een cassettebandje niet in de recorder krijgt, omdat hij niet weet dat hij de cassette eerst uit het doosje moet halen. Jansen: ,,Als je zoiets in een scenario zou schrijven, dan zou iedereen het overdreven vinden, en nu heb ik het er natuurlijk ingelaten. Een gevolg van deze manier van werken is dat heel vaak de allereerste opname de beste is. Bij een speelfilm maak je normaal gesproken zo veel mogelijk takes van een scène, in dit geval hebben we weinig takes gedraaid, maar wel veel meer scènes dan we nodig hadden. Het scenario bevatte genoeg scènes om drieëneenhalf uur te vullen. Die hebben we allemaal gedraaid, en nog meer ook. De eerste ruwe montageversie duurde twee uur, en daar is nog ruim een half uur uit verdwenen. Aanvankelijk letten we niet echt op het verhaal, en wilden we overhouden wat we mooi vonden of wat ons iets deed. Mijn favoriete scène is gesneuveld: Jakob wordt tijdens een veteranenreünie staande gehouden door een man die vraagt of hij Jakob is, die dan en dan op Java heeft gevochten. Hij antwoordt dat hij die Jakob niet is, en gaat dan naar buiten om heel hard te lachen. Ik vond dat mooi, die ontkenning en dan om jezelf lachen, maar niemand anders begreep het, dus wilde ik niet eigenwijs zijn.''

De vrijheid die Jansen gegund was bij het tot stand brengen van haar film is in Nederland niet erg gebruikelijk, zeker niet bij bioscoopfilms, maar Tussenland is dan ook eigenlijk een telefilm van zendgemachtigde RVU. Jansen: ,,De RVU is zo klein dat ze geen dramaturgen in dienst hebben, en Wim Beijderwellen, die daar projecten beoordeelt, schonk ons gewoon alle vertrouwen.'' Ook over de productiemaatschappij Waterland, die vorig jaar Michiel van Jaarsvelds speelfilm Drift op het festival presenteerde, zul je de regisseur niet horen klagen.

Jansen: ,,De cameravoering door Adri Schrover is daarentegen helemaal niet zo wild als mensen zich soms bij een documentairestijl voorstellen. Bij mijn documentaires bedien ik meestal zelf de camera, maar ook dan houd ik van een relatief rustig beeld: weinig van de schouder draaien, zo veel mogelijk van statief. De digitale revolutie, met van die schokkerige, onscherpe beelden, is aan mij niet besteed. Ik wil namelijk goed gezichten kunnen kijken. Ik ben ook een radicaal voorstander van ofwel close-ups, of totaalshots. Alles er tussenin, driekwart of halftotaal, ik vind het vlees noch vis. Als ik het niet eens was met de cameraman, dan was het omdat hij te veel bewoog. Ik riep altijd: tachtig procent gezichten, twintig procent handeling, en niet andersom!''

Ingewikkeld medium

Meestal maakt Jansen documentaires met z'n tweeën: zij camera, en haar partner Albert Elings doet het geluid. De laatste moet van speelfilm niets hebben, maar waarom durft zij het wel aan? Jansen: ,,Toen ik naar de Filmacademie ging wilde ik documentaires maken, maar ik studeerde af met een korte speelfilm (Koekoekskinderen, 1991 – HB). Misschien wil ik wel dingen leren die ik nog niet kan. Speelfilm is een ingewikkeld medium. Er staat veel tussen je gedachten en dat wat er uiteindelijk uitkomt. Ik probeer film altijd een vorm van hardop vragen stellen te laten zijn, en ik vind het spannend als die vragen beantwoord worden tijdens het maken van de film. Bij Tussenland wilde ik weten hoe het is om geen contact te kunnen maken, zoals Jakob, of om geen huis te hebben, zoals de vluchteling Majok. Wat ik geleerd heb, is dat mensen uit verschillende culturen nooit echt bij elkaar kunnen komen. Je denkt natuurlijk: dat wordt een mooi verhaal, over twee volstrekt tegengestelde personages, die elkaar toch zo goed begrijpen, omdat ze beiden mens zijn, maar dat is een illusie. Sommige verschillen zijn onoverbrugbaar. Mijn sympathie ging tijdens de opnamen uit naar John, die in werkelijkheid nog steeds in het asielzoekerscentrum op uitslag zit te wachten, maar dat ik hem beter heb leren begrijpen, dat kan ik niet zeggen.'' De grootste toenadering tussen Jakob en Majok, die bivakkeert op een bankje achter het huis van de oude man, berust op een scenariovondst. Op een ochtend vindt Jakob tussen de twee dekens van de jongen een tas met een sinaasappel, en dan realiseert hij zich de overeenkomst: toen de militairen uit Indië in Nederland terugkeerden, kregen ze in de haven twee dekens en een sinaasappel. Een van de twee dekens moesten ze weer teruggeven.

Jansen: ,,Dat was een veel betere titel geweest, Twee dekens en een sinaasappel. Al het drukwerk is natuurlijk al klaar, maar ik ga toch eens kijken of dat nog te veranderen valt.''

`Tussenland' is tijdens het International Film Festival Rotterdam te zien op 25 januari (Cinerama 3, 19.30u), 28 januari (Pathé 1, 14.00u), 30 januari (Venster 1, 09.30u) en 2 februari (Pathé 5, 12.15u). Vanaf 28 maart wordt de film in de bioscoop uitgebracht. Eind april zal de RVU `Tussenland' op televisie vertonen.