Tussen Tolstoj en The Pink Panther

Een van de opmerkelijkste verschijnselen van het postcommunistische Rusland is de plotselinge opbloei van het detectivegenre. De speurdersroman was in de negentiende eeuw nauwelijks bekend in Rusland en de Sovjets wantrouwden het genre zozeer dat zelfs de zo onschuldige boeken van Agatha Christie er verboden waren. Van eigen bodem was er niets dan wat primitieve propagandistische sovjet-spionageromans.

De afgelopen tien jaar hebben de Russen de schade ruimschoots ingehaald. Het communisme was nog niet gevallen of de kiosken puilden al uit van het volledige Westerse aanbod op dit gebied in haastig gemaakte Russische vertalingen. En al spoedig zagen auteurs van eigen bodem het enorme gat in een schier onverzadigbare markt: de Russische detective was geboren.

De bekendste en productiefste schrijfster van het eerste uur is nog steeds Aleksandra Marinina. Haar genre is de politieroman en haar hoofdpersoon is Nastja Kamenskaja, een vrouw met buitengewone capaciteiten, die acht talen kent en alles van computers af weet, maar desondanks een niet al te best betaalde functie bij de Moskouse recherche bekleedt. Marinina schuwt het cliché niet, haar stijl is weinig verfijnd en soms wat wijdlopig net als haar humor, maar haar verhalen zijn spannend genoeg.

Zo ook De vierde dader, waarin Nastja Kamenskaja te maken heeft met een meisje dat zich achtervolgd waant en een politieman die dood wordt gevonden op een bouwplaats. Haar onderzoek leidt naar een hoge militair die bezig is met een particuliere wraakactie en naar een maffiose zakenman die illegaal strategische grondstoffen levert aan een schimmige organisatie die vanuit een bunker ergens in Midden-Azië werkt aan de ondergang van de beschaafde wereld. (Hoe een James Bond-cliché opeens weer actueel kan worden!)

De ontknoping is niet het beste deel – dat geldt trouwens voor heel wat andere detectives ook, hoe zou dat toch komen? – maar voor het overige is De vierde dader een boek dat je, zoals dat bij een goede detective hoort, niet opzij kan leggen voor je de afloop weet.

Marinina heeft geen literaire pretenties, ze wil niet meer dan een spannend verhaal rechttoe-rechtaan vertellen – net als al haar steeds talrijker wordende collega's, die overigens voor het grootste deel vrouwen zijn. Dat gebrek aan pretenties, dat voor ons wel verfrissend is, wordt hun door de gemiddelde Russische intellectueel, een voor Nederlandse begrippen onvoorstelbaar snobistisch en elitair wezen, niet in dank afgenomen.

Niet alleen Marinina, maar het hele politiegenre, hoe populair het ook mag zijn, is in Rusland niet salonfähig. Een Moskouse boekhandelaar vertelde eens in een interview dat in zijn winkel bij de afdeling literaire boeken altijd talrijke mensen staan te bladeren, terwijl de afdeling met spannende boeken zo goed als leeg is. Toch haalt deze laatste afdeling verreweg de hoogste omzet. De koper trekt er als een dief in de nacht zijn keuze uit het rek en rekent die besmuikt af bij de kassa.

Boris Akoenin lijkt het als zijn taak te zien het genre aanvaardbaar te maken voor de Russische intellectuele snob, en met succes gezien de grote stapels waarin zijn snel groeiende oeuvre in elke Russische boekhandel en boekenstal wordt aangeboden.

Akoenin – pseudoniem van Grigori Tsjchartisjvili – is een Georgiër die in Moskou Japans heeft gestudeerd. Hij heeft in enkele jaren tijd al meer dan tien boeken gepubliceerd waarvan er nu twee in het Nederlands zijn verschenen. Zes anderen zullen binnen afzienbare tijd nog volgen, uitgeverij De Geus heeft kennelijk serieuze plannen met deze schrijver.

Akoenin is de schepper van de `historische detective'. Zijn boeken spelen aan het einde van de negentiende eeuw en zijn ook geschreven in een daarbij aangepaste, tamelijk literaire, enigszins archaïserende stijl. Zijn boeken hebben met hun toespelingen op allerlei klassieken uit de Russische literatuur en op bekende feiten uit de Russische geschiedenis heel wat meer pretentie dan Marinina. Akoenins held is, althans in deze serie, de nog jonge man Erast Fandorin, die van goeden huize is, maar na de dood van zijn vader zonder een cent is achtergebleven en aan het begin van het eerste boek in de reeks, Fandorin, een baantje als assistent van het hoofd van de Moskouse recherche heeft.

In Fandorin lijkt het of Akoenin een parodie op het genre wil schrijven. De jeugdige, briljante, maar volstrekt onervaren Fandorin is hier het tegendeel van de superieure speurder, hij is zo overtuigd van zijn eigen slimheid, dat hij de ene blunder na de andere maakt. Hij verkeert bijna elk hoofdstuk in levensgevaar, maar weet telkens als door een wonder te ontsnappen. Of hij nu op straat een mes in zijn donder krijgt, in een juten zak, verzwaard met een stuk spoorrails, in de rivier wordt gegooid, of een bombrief bezorgd krijgt, hij weet overal heelhuids af te komen. Akoenin laat in dit boek niet één maar vele dei uit net zo vele machinis komen, wat wel heel vrolijk is om te lezen, maar op den duur afbreuk doet aan de spanning van het verhaal.

Turks gambiet is een boek van een heel andere orde. We treffen hier Fandorin ruim een jaar later in geheel andere omstandigheden. De plaats van handeling is het Bulgaarse slagveld tijdens de Turks-Russische oorlog van 1877. Fandorin, nog steeds jong, maar al hoog gestegen op de ambtelijke ladder, heeft tot taak een spion achter de Russische linies te ontmaskeren. Het boek wordt grotendeels verteld vanuit het perspectief van een jonge vrouw die toevallig in het Russische leger verzeild is geraakt en voor wie Fandorins doen en laten uitermate raadselachtig is. Het militaire bedrijf laten zien door de ogen van een leek, het is al door Tolstoj toegepast, maar het werkt ook bij Akoenin nog voortreffelijk. Onnodig te zeggen dat de aanvankelijke aversie die de vrouw voor Fandorin koestert langzamerhand overgaat in steeds grotere bewondering, net als die van de lezer voor Turks gambiet. Een ijzersterke roman met een effectieve ontknoping en dan ook nog losjes gebaseerd op historische feiten, in een voortreffelijke vertaling van Arie van der Ent. Akoenin is een naam om te onthouden.

Aleksandra Marinina: De vierde dader. Uit het Russisch vertaald door Sylvia Nijland. Luitingh-Sijthoff. 222 blz. E13,49

Boris Akoenin: Fandorin. Uit het Russisch vertaald door Arie van der Ent. De Geus. 249 blz. E17,99

Boris Akoenin: Turks Gambiet. Uit het Russisch vertaald door Arie van der Ent. De Geus. 220 blz. E17,99