Slappe Nederlanders

In zijn recensie van mijn boek Die slappe Nederlanders – of viel het toch wel mee in 1940-1945? (Boeken, 4.1.2002) noemt Bas Blokker mijn berekening van het aantal onderduikadressen `bepaald geen overtuigende passage' omdat ik met `zelfgefabriceerde gemiddelden (`5 à 7' gezinnen per onderduiker)' kom. Zelfgefabriceerd? Ik heb tijdens het schrijven van het boek intensief e-mail- en telefonisch contact gehad met een wetenschappelijk medewerker van het NIOD. Ik weet niet of hij zijn naam genoemd wil hebben; laat ik hem daarom meneer A noemen. Hij vond 5 à 7 gezinnen ,,een redelijke schatting''. Op basis daarvan kwam ik uit op 330.000 tot 450.000 Nederlanders die betrokken waren bij het verbergen van joodse landgenoten.

Toen het ANP dit als persbericht wilde verspreiden, vroeg een vrouwelijke ANP-collega mij of ik het aantal gezinnen bedoelde of het totale aantal betrokkenen. Toen ik zei dat het laatste het geval was, antwoordde ze: ,,O, dat klopt dan met de opgave van het NIOD: die komen op 400.000 personen.'' Uiteraard vroeg ik haar of ze die bevestiging had gehad van mijn eigen bron, meneer A. Nee, het was iemand anders bij het NIOD geweest, maar ze wilde die naam (begrijpelijkerwijs) niet noemen; laten we hem meneer B. noemen. Volgens meneer B. hanteerde men intern bij het NIOD de volgende berekening: er waren 25.000 onderduikers, die bij gemiddeld vier gezinnen hadden gezeten. Ze hielden een gemiddelde van vier mensen per gezin aan. Totaal dus 100.000 maal 4, oftewel 400.000.

Achtduizend van die onderduikers zijn alsnog gepakt en die hebben dus korter ondergedoken gezeten. Daarom ben ik uitgegaan van 17.000 die op vijf à zeven adressen en 8.000 die op drie à vier adressen hadden gezeten. Meneer B. van het NIOD kent natuurlijk ook dat getal van 8000 en zal bij zijn berekening uitgegaan zijn van 17.000 keer iets meer dan vier adresssen en 8.000 keer iets minder dan vier. Maar ik ben minder royaal met de gezinsgrootte geweest dan het NIOD; die schatte ik op drie (voor de argumentering daarvan verwijs ik naar mijn boek). Beide, onafhankelijk van elkaar en op een andere manier berekende getallen, leiden tot een verrassend gelijk eindresultaat. Uiteraard zijn het schattingen, maar dat het gaat om honderdduizenden, staat buiten twijfel, en het maakt een eind aan de mythe dat er `slechts een handjevol helpers' was.

Wat mij zo bedroefd maakt bij dit soort recensies is dat je dingen in de mond worden gelegd die je helemaal niet gezegd hebt, en die dan vervolgens op snerende wijze worden `weerlegd'. In mijn theoretische veronderstelling dat alle 140.000 joodse Nederlanders hadden willen onderduiken, leg ik duidelijk uit dat dit een `logistiek en kwantitatief volstrekt onmogelijke opgave' zou zijn geweest. Blokker laat die constatering weg en suggereert dat ik impliciet het standpunt huldig `dat niemand toch zoveel illegale inspanning van een volk mag verwachten'. Toen de deportaties in 1942 werden aangekondigd, begonnen ze ook onmiddellijk. Zou de recensent me willen vertellen, hoe hij in één, twee maanden tijd een organisatie zou hebben opgezet om 140.000 mensen onderdak te brengen en ook nog geregeld te laten verhuizen? Volgens mij is zoiets zelfs in normale tijden een onmogelijke opgave, laat staan onder de Duitse bezetting, maar Blokker ziet dat blijkbaar anders.

Ook zou ik voorbijgegaan zijn `aan het feit dat op één adres meer joodse onderduikers zaten en aan het feit dat verhuizen kon betekenen, dat je terecht kwam bij mensen die al eerder onderduikers hadden gehad'. Dan heeft hij noot 148 niet gelezen, waar ik uitgerekend op die twee feiten wijs. Hier is toch iemand anders dan ondergetekende aan een paar feiten voorbijgegaan.

En dit is niet het enige waaraan hij voorbijgaat. Ik schrijf namelijk heel uitdrukkelijk dat in wezen het aantal onderduikadressen niet essentieel is: essentieel is dat die joodse onderduikers konden verhuizen als dat nodig was. Met een vloed van argumenten toon ik aan dat, wie eenmaal in het, gezien de omstandigheden verrassend snel geformeerde, vangnetwerk van hulpverleners terecht was gekomen altijd aan een nieuw adres werd geholpen. Het aantal potentiële onderduikgevers was blijkbaar voldoende en steeg naarmate er meer behoefte was aan adressen.

Ook aan dit feit gaat Blokker voorbij – en daarbij is hij niet de enige. Het stilzwijgen op dit punt van historici en gespecialiseerde journalisten is nog steeds oorverdovend.

Er moet toch `een reden zijn waarom juist van de joden er maar 25.000 konden onderduiken', aldus Blokker. Ik geef daar een groot aantal redenen voor, onder meer dat velen (op volstrekt legitieme gronden) niet wilden onderduiken. Als hij het met die redenen niet eens is, had hij dat moeten zeggen.

Ik breng in mijn boek de these op van de `statistische schuldtoewijzing'. Hoe hoger het percentage vermoorde joden in een land, hoe groter de schuld van de niet-joodse bevolking van dat land. Ik toon aan hoe onzinnig deze nog steeds wijdverbreide mythe is, die in wezen heeft geleid tot Beatrix' excuses in Israël in 1995.

Nog één ding: Blokker vindt het `een raadselachtige formulering' dat ik stel de Tweede Wereldoorlog `zeer bewust' te hebben meegemaakt. Een groter bewijs van de onmacht van na de oorlog geborenen om zich een voorstelling te maken van de werkelijkheid van die bezetting kan niet geleverd worden.