Recht op het doel af: poëzie

Het is een merkwaardig, verfijnd gedicht: het korte `Rococo' van Wilfred Smit. En helemaal niet eenvoudig te duiden. Er wordt `gracielijk en licht' in gestorven, er klinkt `een kleine zucht in de paniers' en `dien avond heeft men ons / gekleed te bed gelegd, / als in een rose medaillon'. Maar om wie gaat het hier? En waarom zo? Het is en blijft een raadselachtig geval, ook voor Gerrit Komrij. `t Is voor mij een kwaadaardige rebus, dit gedicht', zegt hij aan het eind van een stuk waarin hij geprobeerd heeft meer licht op het vers te werpen. `Hoe intenser ik naar het prentje tuur, hoe hardnekkiger het me ontsnapt.' En dan komt al gauw de gedachte op de enige te zijn: `Ik heb sterk het vermoeden dat iedereen de oplossing ziet, behalve ik.' Waarna hij, met een geestige wending, zijn onmacht dan maar probeert om te buigen tot iets exclusiefs: `Dit is mijn intrigerendste gedicht, neem het me niet af.'

Het is een mooi moment, juist in een bundel waarin keer op keer met scherpe blik gedichten worden bekeken en zonodig ontrafeld. De verzenuitlegger lijdt een nederlaag, maar legt met zijn ruiterlijke erkenning ervan ook meteen zijn ziel bloot: blijkbaar koestert hij zijn raadsels, zoals de ware leraar een zwak zal hebben voor de leerling die niet goed kan meekomen. `Vragen zijn, als altijd in de poëzie, interessanter dan antwoorden', vindt Komrij. In een bespreking van een gedicht van Lucebert stelt hij gretig vast: `Wellustig stapelen de vragen zich op.' En: `Als je alles in de poëzie kon uitleggen was ze overbodig.'

Ziehier de eerste spagaat van Komrij: hij is een dichter en wil bij de dichters horen, maar in de avonduren klust hij er graag nog wat bij als uitlegger. Zijn lesmateriaal is verzameld in Trou Moet Blycken, zijn tweede bundel met beschouwingen over Nederlandse gedichten, eerder verschenen in de gelijknamige rubriek op de Achterpagina van deze krant. Het is, net als zijn voorloper In Liefde Bloeyende (1998), een boek met wel meer spagaten. De spagaat tussen theorie en praktijk bijvoorbeeld, en die tussen de houding van de deskundige en die van de dichter: `Dichters vinden hun eigen regels en geboden uit, elke keer opnieuw. Telkens als we de poëzie onder ons theoretisch vlindernetje gevangen denken te hebben komt er wel weer een gedicht dat aan onze determineerdrift ontsnapt.' Maar zonder spagaten geen spanning, geen tweespalt, geen problemen en dus ook geen levendigheid.

Parels

Trou moet Blycken is een gevarieerd boek waarin van alles aan bod komt. Slechte gedichten – en wat we daarvan kunnen leren over het wezen van poëzie. Onbekende gedichten van onbekende dichters – en de parels die zich daartussen kunnen bevinden. Klassieke gedichten – en de verrassingen die zich voordoen als je ze weer eens onbevangen en aandachtig probeert te lezen. Lange, serieuze en analytische stukken over afzonderlijke gedichten naast essayistische verhandelingen over bijvoorbeeld heimwee. Gedichten uit vele genres: macaronische gedichten, citadelgedichten, watersnoodgedichten, groente- en fruitgedichten, strontgedichten. Gedichten uit allerlei tijden: van een anoniem leugenrefrein uit 1607 tot een prachtig klassiek liefdesgedicht van Ingmar Heytze uit 2001, waarover Komrij monter opmerkt: `Alle ingrediënten uit de ouwe trommel dus, de hele rimram waar de poëzie eeuwen om draaide. En zie, Ingmar Hetytze doet of zijn neus bloedt en begint opnieuw.'

De stukken zijn ondergebracht in negen min of meer thematische afdelingen, wisselend van lengte, voorafgegaan en gevolgd door een proloog en een epiloog en onderbroken door een entracte. Het klinkt weloverwogen, maar de indeling is tamelijk willekeurig. Trou Moet Blycken is vrijblijvender dan In Liefde Bloeyende, dat strikt chronologisch was, doelbewust uit honderd plus één stuk bestond, met een mooie cyclische structuur. De nieuwe bundel bevat, in weerwil van de ondertitel, geen honderd en enige, maar 79 stukken, en ze zijn helaas allemaal geschreven in de nieuwe alineazinnenstijl, die zich vooral kenmerkt door extreem korte alineas met een lengte van een à anderhalve zin, en dat dan zonder reden. Het boek is daardoor tientallen bladzijden dikker dan nodig, en het maakt een veel stelliger indruk dan bedoeld, zoals een slechte spreker bij elk woord met zijn vuist op de katheder slaat.

Bezopen

In vergelijking met zijn voorganger is Trou Moet Blycken dus wat minder substantieel, maar op zichzelf beschouwd is het nog steeds een geweldig poëzieboek, met tientallen geweldige stukken. Een zorgvuldige analyse van een gedicht van Hélène Swarth vloeit bijvoorbeeld vanzelf over in een overtuigend klein essay over dichterlijke onbevangenheid en bewustzijn, en over het verschil tussen kinderjaren en volwassenheid. Een stuk over een bezopen kindertaalversje van ene Johannes Buma kan zomaar uitlopen in een briljante passage over de in alle poëzie aanwezige neigingen tot wat Komrij noemt `taalintensivering' en `taalverlies'. Komrijs analyses zijn verrassend en leerzaam. Tussen de regels door bevatten ze heel wat citeerbare aforismen, van het type `Er is meer slechte dan goeie poëzie in de wereld' of, ook waar, `Je hebt dichters in soorten en de meest voorkomende is de mengvorm.'

Uit elk stuk spreekt een grote belezenheid en een grote inzet. Hier heeft iemand een doel en hij wil er op af, via heldere en puntige zinnen, nooit oppervlakkig, nooit zemelend, scherp en soepel formulerend, met geestige wendingen en subtiele terzijdes. Gretig en levendig – en alleen daarom al een voorbeeld voor iedere schrijver van beschouwend proza. Trou Moet Blycken is een vrolijk stemmende bundel, op heel wat manieren te lezen – ook als een indrukwekkende verdediging van de poëzie: `Poëzie is de waarheid van een sensatie die een ogenblik intens aanhoudt en van hoge kwaliteit is.' Het is die wonderlijke sensatie die Komrij in deze stukken probeert te betrappen, al weet hij ook wel dat de kern ervan zich niet laat achterhalen. `Leuteren over poëzie is toegestaan, mits we de beperktheid van ons geleuter inzien.'

Gerrit Komrij: Trou Moet Blycken, of opnieuw: In Liefde Bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de eenentwintigste eeuw in honderd en enige gedichten. Bert Bakker. 366 blz. E14,50 (pbk), E20,42 (geb.)