Reagan was toch een reus

Peggy Noonan, tekstschrijver van Ronald Reagan, schreef in haar memoires (What I Saw At The Revolution, 1990) dat de strijd om invloed bij de president kon worden vergeleken met `loopgravengevechten tijdens de Eerste Wereldoorlog: nooit vochten zo velen zo hard om zulk onvruchtbaar gebied.' Nu, ruim tien jaar later, heeft Noonan spijt. `Ik zat er volledig naast', meent ze in When Character Was King. Reagan was een man uit één stuk, de `laatste grote president', `een reus'. Dat is tevens de conclusie die oud-minister van defensie Caspar Weinberger trekt in zijn memoires.

Ook Weinberger schreef al eerder een boek over Reagans regering: Fighting For Peace (1990). Elf jaar geleden was echter nog niet duidelijk wat voor bewonderaars van Reagan inmiddels tot dogma is verheven: deze president kreeg de Sovjets op de knieën. Ze hebben gelijk, schrijft Weinberger: zonder Ronald Reagans `strategische helderheid, morele moed, krachtdadige aanpak en besluitvaardigheid was het waarschijnlijk onmogelijk geweest'.

Voor Weinberger was het keerpunt in de Koude Oorlog de rede in 1983 waarin Reagan de Sovjet-Unie het `Rijk van het Kwade' noemde. Noonan ziet de top in Reykjavik drie jaar later als het beslissende moment: doordat hij weigerde zijn `droom' van een wapenschild op te geven zou het Kremlin hebben beseft dat het spel uit was. Hoe Amerika de Koude oorlog precies won, is bij beide auteurs minder belangrijk dan de vaststelling dat Amerika won.

De boeken van Noonan en Weinberger passen in een trend en dienen een doel: de heiligverklaring van de voormalige president. Deze vindt niet alleen plaats op papier. Onder leiding van de conservatieve lobbyist Grover Norquist beijveren bewonderaars van Reagan zich al jaren om diens erfenis veilig te stellen. Norquist wil in elke staat minstens één openbaar project (een vliegveld, een snelweg, een dam, een brug) dat Raegans naam draagt, mogelijk culminerend in een uitgebeiteld hoofd op Mount Rushmore in South Dakota.

Norquist breekt zich daarbij niet het hoofd over de minder bewonderenswaardige kanten van Reagan, bijvoorbeeld de Iran-contra affaire. Hoe kon het gebeuren dat Amerika wapens verkocht aan Iran, een staat die terroristen steunde, en de winst illegaal doorsluisde naar de contras in Nicaragua? Weinberger probeert zich ervan af te maken door de schuld in de schoenen te schuiven van Reagans veiligheidsadviseur Robert McFarlane. Noonan houdt het erop dat Reagans intenties goed waren. Hij hield volgens haar zijn medewerkers voor dat ze zich aan de wet moesten houden. Dat is onjuist: hij zei juist zich minder zorgen te maken om kwesties van illegaliteit dan om de Amerikaanse gijzelaars in Iran. Weinberger noch Noonan gaat in op het feit dat Reagan door de pijnlijke affaire maandenlang van het toneel verdween. Maar dat past ook niet bij hun beeld van een morele, dappere reus.

Peggy Noonan: When Character Was King. A Story of Ronald Reagan. Viking, 228 blz. E31,20

Caspar Weinberger: In The Arena. A Memoir of the 20th Century. Regnery, 396 blz. E43,70