Ontroering

Onlangs vroeg mijn vrouw ineens of ik wel eens huilde. Ik zocht naar een voorbeeld en realiseerde me dat ze me inderdaad nooit heeft zien huilen. Is er geen aanleiding geweest, of ben ik een oppervlakkige geest die overal onaangedaan overheen stapt? Omgekeerd heb ik mijn vrouw wel degelijk zien huilen. Het wekelijks bezoek aan het sterfbed van een geliefd familielid laat haar niet onberoerd. Als ze huilt, probeer ik haar te troosten, maar zelf huil ik nooit.

De vraag van mijn vrouw bleef hangen en begon mij na een tijdje dwars te zitten. Het vooroordeel dat een man niet mag huilen, heeft bij mij weinig grond. Zolang een man niet huilt uit zelfbeklag, is er niets om zich over te schamen. Integendeel, een man die huilt uit ontroering, kan op gevoelens van vertedering rekenen, vooral bij vrouwen. Dus moest ik, om aan te tonen dat ik geen kouwe kikker ben, ervoor zorgen dat ik in de aanwezigheid van mijn vrouw een keer in huilen zou uitbarsten. Maar hoe doe je dat? Je kunt in zo'n winkel van toneelattributen speciale oogdruppels kopen die je onverbiddelijk aan het huilen zetten, maar dat was de bedoeling niet. Het huilen moest spontaan en echt zijn, daar ging het om.

In de dagen daarna probeerde ik aan enig zelfonderzoek te doen. Natuurlijk had ik in het verleden wel eens gehuild, maar wanneer was dat en waarover huilde ik toen? Had ik gehuild bij de dood van mijn ouders? Niet voorzover ik het mij kon herinneren. Ik merkte dat ik langs de weg van geboorte, scheiding en dood niet verder kwam, zodat ik mij genoodzaakt zag het probleem anders te benaderen. Er was toch ook nog de kunst die de mens tot tranen toe kon ontroeren.

Huilde ik wel eens om literatuur? Had ik wel eens gehuild om een Hermans, een Reve of een Mulisch? Niet dat ik wist. Om Hermans en Reve moet ik altijd grinniken en soms gaat mij bij het lezen van hun boeken ook wel eens een rilling over de rug. Bij Mulisch valt mij zo af en toe de mond open, maar huilen om het geschreven woord is er kennelijk toch niet bij. Ik dacht aan de muziek. Niets kan zo'n intense ontroering oproepen als een symfonie van Beethoven, een opera van Wagner of de liederen van Schubert, zei onlangs een middelbare damesstem op de radio. Dat is waar, maar hoe Beethoven, Wagner en Schubert mij ook raken, echt snikken om muziek doe ik niet.

Opeens had ik het: de film! Ik kan er ook niets aan doen, maar deze Hollywood-hoer van de kunsten heeft mij wel degelijk tot huilen aangezet. Plotseling zag ik mijzelf weer op een kerstavond in een Londens hotel, alleen in bed, de dekens over mij heen, omdat de verwarming het weer niet goed deed. Op de televisie verscheen `City Lights' van Charley Chaplin, de film over de zwerver en het blinde meisje dat dankzij de inspanningen van de zwerver de operatie krijgt waardoor zij weer kan zien. Bij de slotscène, als het meisje zich door het aanraken van zijn hand realiseert dat het de zwerver is geweest die haar operatie heeft betaald, biggelden de tranen mij over de wangen. Schaamteloos sentimenteel was deze film, op het onverdraaglijke af, maar toch had hij mij bij de keel gegrepen.

Gisteravond heb ik City Lights gehuurd bij de videotheek. Voor de televisie hebben wij ons geïnstalleerd op de bank. Nu zouden wij het beleven. Maar na een half uur begon er iets van verveling te knagen. Ik keek naast me. Mijn vrouw was in slaap gevallen. Er zit niets anders op dan een nieuwe gelegenheid af te wachten.