Leve de lelijkheid

`Liefde maakt blind' is over het algemeen niet erg positief bedoeld. Het is een typisch Hollandse, zure benadering van een houding waarbij het spreekwoord eigenlijk zou moeten luiden: `Liefde maakt ziend – ziend voor schoonheid die alleen een heel bepaalde, heel aandachtige manier van kijken zichtbaar maakt'. Dat schreef August Willemsen indertijd in zijn beschouwing `De Bijlmer en het bekertje van de Etrusken', over de architectuur van het vermaledijde stadsdeel. Hij vervolgde dit pleidooi met de Portugese versie van dit spreekwoord: `Wie het lelijke liefheeft, hem lijkt het schoon.' Iemand die zo overtuigend de schoonheid van de Bijlmer weet te tonen, is de perfecte figuur om de lelijkheid van Australië te beschrijven. En Willemsen doet dat naar hartelust.

In het `reisboek' met de weinig pakkende titel Van Tibooburra naar Packsaddle: Australië in 7 stukken, 59 foto's en een epiloog wijdt hij zijn slotverhaal aan de architectuur in Australische steden. Lopend door Melbourne verlustigt hij zich aan de schaamteloosheid van de stadsarchitecten en de smakeloosheid van de bewoners. Zo verbaast hij zich over de verfkleuren die op de huizen worden gesmeerd; alle kleurencombinaties roepen associaties op met `stront, diarree, babypoep, kots, pus, etter'. Verwonderd vraagt hij zich dan ook af: `Wie, wie in 's hemelsnaam, heeft op zeker moment gezegd: ,,Ja, dit is goed, laten we deze kleur nemen'...' Deze beschouwing, `De lelijkheid van Australië' geheten, wordt nog eens prachtig geïllustreerd met de foto's van Bert Verhoeff, waarbij het hoogtepunt wordt gevormd door een huis met een pompeus wit hek en twee enorme gladgeschoren bolvormige bomen in de voortuin.

Willemsen beschrijft niet alleen de lelijkheid van de steden, maar ook die van het verlaten land, de droge woestijn en van een paar kleine dorpjes met in enkele gevallen slechts zes inwoners. Samen met Verhoeff doorkruist hij per trein en auto het land. Tijdens hun reis spreken ze met bewoners uit troosteloze dorpjes, met mensen in ondergrondse woningen schuilend voor de intens hoge temperaturen en ook met een `bebaarde dwerg die naar de omineuze naam Psycho luistert.'

Deze gesprekken, maar ook de reportages over Australian Football, de maatschappelijke positie van de Aborigines en de Olympische Spelen, leiden weliswaar niet tot een samenhangend geheel – het gaat hier dan ook om bewerkte reportages voor Vrij Nederland – maar wel tot een beeld dat verder reikt dan kangoeroes, koalaberen en topzwemmer Ian Thorpe. De beschrijvingen van de bijna verlaten dorpen met groepjes dronken en lethargische Aborigines op straat, spannen daarbij de kroon: `In Wilcannia was het absoluut niet bedreigend, minder deprimerend, maar toch nog treurig genoeg.'

Deze combinatie van treurigheid en slechte smaak, allemaal zeer mooi opgeschreven door Willemsen en fraai in beeld gebracht door Verhoeff, maakt Van Tibooburra het ideale reisboek. Want tussen de regels blijkt dat de liefde voor dit land enorm groot is. Beauty is in the eye of the beholder, of in de woorden van Willemsen zelf: `Ik geloof dat men veel van een land moet houden om te kunnen praten over zijn lelijkheid.'

August Willemsen en Bert Verhoeff: Van Tibooburra naar Packsaddle: Australië in 7 stukken, 59 foto's en een epiloog. De Arbeiderspers, 150 blz. €19,90