Jofel gemetseld in een groeipolis

Ooit was Joost Zwagerman wild en maximaal en sprak hij zich uit voor krachtdadige, lawaaierige en vandalistische poëzie. Zijn eigen dichtbundels waren nog niet zo heel erg opruiend, maar hij schreef wel romans die het nodige stof deden opwaaien, zoals Gimmick! (1989) over een groep kunstenaars die de verleiding van cocaïne, drank en seks niet kunnen weerstaan en Vals licht (1991), over de verhouding tussen een student Nederlands en een hoer. De grote boze wereld van de penose, de drugsmaffia en de prostitutie drong het verhaal binnen en al gauw kwam een regisseur op de gedachte om de roman te verfilmen. In De buitenvrouw (1994), dat zich afspeelde in en rond Alkmaar, beschreef hij de hartstochtelijke, buitenechtelijke verhouding tussen een leraar en zijn collega, met alle dramatische gevolgen vandien. Ook in Chaos en Rumoer (1997), een nogal amusante roman over een auteur met schrijfkramp, ging het er, zoals de titel al aangeeft, soms flink heftig aan toe.

Sindsdien zijn er enkele jaren verstreken en het lijkt erop dat Zwagerman zijn wilde haren is kwijtgeraakt. Zes sterren, zijn nieuwe roman, is de meest bedaagde tot dusver. Er komt geen onvertogen woord in voor. Een onkreukbare ik-figuur die kennelijk alle tijd van de wereld heeft, vertelt er lustig op los. Het boek deed af en toe sterk denken aan Zonder genade van Renate Dorrestein, voor haar doen ook een nogal gewone roman, waarin, net als bij Zwagerman, iemand zich bezint op de dood van een geliefd persoon en waarin een vergelijkbare, montere stijl wordt toegepast.

Met het postmodernisme, waarmee Zwagermans vroegere werk wel eens in verband is gebracht, heeft Zes sterren niets meer te schaften. Hij bedrijft hier een toegankelijk en bijna didactisch aandoend realisme. Hij permitteert zich een aantal doorbrekingen van de chronologie maar er is geen terugblik of vooruitwijzing die onverantwoord blijft. Alles wordt uitgelegd, zodat er op het laatst niets meer te raden overblijft, behalve misschien de vraag waarom Zwagerman koos voor deze vlakke personages, dit weinig schokkende thema en deze buitenkantige manier van vertellen. Ik sluit niet uit dat mij een dubbele bodem ontgaat en dat er camp in het spel is, en dus ironie.

Vooralsnog neem ik maar gewoon aan dat het deze keer zijn bedoeling is geweest een anti-avontuurlijk verhaal te vertellen, waar de oerhollandse lulligheid vanaf straalt. De hoofdpersoon, de 26-jarige Justus, is werkzaam in de hotelbranche. Zijn werk bestaat eruit dat hij in hotels overnacht en verslag doet van zijn bevindingen in het blad Goedemorgen, waarin hoteleigenaars voor veel geld een advertentie kunnen plaatsen. Het aantal sterren dat door de hotelcriticus wordt toegekend, is afhankelijk van de adverteerbereidheid van de hotelier, zodat van een objectief oordeel geen sprake kan zijn. Zo kan het gebeuren dat hotel Juliana te Venlo in een paar maanden tijd van twee naar vijf sterren opschuift, zonder dat interieur of service zijn aangepast.

Sinds de dood van zijn oom Siem, door zelfmoord, is deze Justus hoofdredacteur van het blad, maar hij is niet blij met deze promotie. Want hij was verknocht aan zijn oom, meer dan aan zijn eigen, saaie ouders die zich tevreden stellen met hun groeipolis, hun doorzonwoning, hun huishoudpot en hun droogmolen. Oom Siem leidde hem binnen in `het enerverende universum, waar tijdschriften werden opgericht, businessplannen gehonoreerd en auto's geleast.' Dat universum is niet erg groot: precies zo groot als Nederland. `Voor hem hield de wereld op na Winterswijk. Na Delfzijl, Breda, Vaals de zondvloed.' Ook heeft de neef kunnen vaststellen dat zijn oom niet uit was op nieuwe ervaringen, maar steeds meer van hetzelfde wilde, liefst diep in de provincie. Nog meer landelijke rust, lounges, ontbijtzalen en witgekuifde dames, die met elkaar roddelen in de plaatselijke supermarkt.

Zwagerman is goed in het beschrijven van dit soort gruwelen. Met de kopieerlust van het dagelijks leven zit het bij hem wel snor. Minder overtuigend is het psychologische fundament van de roman. Justus worstelt, tussen de hotelbedrijven door, met de nagedachtenis van zijn oom, die zich met pillen van het leven heeft beroofd. Hij gaat ervoor in therapie en hij stort zich naar eigen zeggen op `een baaierd van zelfmoordliteratuur'.

Helaas wordt het noch hemzelf noch ons, lezers, helemaal duidelijk om wie of wat hij nu precies rouwt. Was hij werkelijk zo dol op oom Siem, met wie hij jarenlang zoveel onspectaculaire wegen bereed en duffe hotels bezocht en wiens levenswerk bestond uit een krantje met dubieze inhoud? Uit alles blijkt dat oom Siem maar een miezierig mannetje was met een weinig oorspronkelijke geest: hij bedotte hoteliers met flauwe trucjes, zat achter de vrouwen aan, bezocht stripteasebars, maakte scènes als hij dronken was en pleegde zelfmoord nadat zijn vrouw hem wegens overspel had verlaten. Ook Justus zelf, die ondanks die baaierd van literatuur weinig memorabels heeft te melden over zelfmoord, is verbijsterend gewoontjes en kleurloos. Met zijn gevoelens weet hij zich geen raad. Nergens valt althans ook maar een spoor van oprecht verdriet of wanhoop te beluisteren, al heeft hij het over praktisch niets anders dan de tragische dood van oom Siem. Als hij net heeft gehoord dat zijn oom er een eind aan heeft gemaakt, wil hijzelf, naar eigen zeggen, ook niet meer leven. Maar hij durft zich met zijn Saab niet dwars door de vangrail tegen een of ander obstakel te pletter te rijden. `Even later', heet het dan, in de soms net iets te gezwollen woordkeus van Zwagerman, `stond de Saab in laffe, inferieure ongehavendheid op het parkeerterrein van een snelwegrestaurant en was de wereld een uitgestoken wijsvinger die verwijtend tegen mijn ribben roffelde. Gefaald.'

Met handen en voeten is Justus geketend aan de zompige werkelijkheid waaraan hij dolgraag zou willen ontstijgen. Net als zijn oom wenst hij zich een bestaan dat, in horeca-termen uitgedrukt, met vijf sterren kan worden gehonoreerd. En nog liever, o jongensdroom, wil hij er zes. Dit Walhalla is voor een jongeman die in zijn jeugd door een overhygiënische moeder zo ongeveer is weggepoetst, natuurlijk te hoog gegrepen. Dus moet hij voort op de ingeslagen weg: van hotel naar hotel om er, na het zoveelste kleffe ontbijt, een jofel stukje over te kunnen typen op zijn laptop.

Zes sterren stelt door zijn kabbelende en kalmpjes voortkeuvelende karakter weinig eisen aan de lezer. Niemand hoeft er zich door van de kaart te laten brengen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij van een weldadige traagheid en gezapigheid getuigt in een tijd waarin het niet grootscheeps en dynamisch genoeg kan toegaan. Maar verbazingwekkend is wel: na Gimmick!, Vals licht, De buitenvrouw en Chaos en Rumoer zo'n volmaakt angelloos boek.

Joost Zwagerman: Zes sterren. De Arbeiderspers. 210 blz. E15,95