Hoe het onmiddellijke te beschrijven

Dichten in de eenentwintigste eeuw: heeft het niet iets bespottelijks? De hoge roep van de poëzie lijkt nauwelijks meer van deze tijd. Wie dan ook nog schrijft over de natuur, de ziel en de liefde, zonder enige aandacht te besteden aan de snelle digitale wereld van vandaag, is gedoemd op de reservebank van de publieke aandacht weg te kwijnen. Hooguit mag zo iemand de laatste paar minuten meespelen – als er begraven wordt.

Toch verdient poëzie aandacht: zij rekt de mogelijkheden van de taal op, ontdekt vergeten gebieden van onze ervaring en schotelt ons juist door haar onbevangenheid nieuwe beelden, geluiden en ideeën voor. Omdat wij ons allemaal onophoudelijk van taal bedienen is poëzie van deze tijd.

Zo bekeken moet het wantrouwen jegens de dichtkunst worden vergeten, ondanks haar romantische hang naar het absolute. Zelfs als het om Elly de Waard gaat, wier gedichten de hooggegrepen ambitie vertonen de Liefde te bezingen en de Natuur, en dat alles in een lyrisch getoonzette poëzie die op het provocerende af naïef is.

Deze week verscheen haar laatste bundel, Van cadmium lekken de bossen. Die titel suggereert een militant pamflet tegen de aanranding van de natuur, tegen geheime stortplaatsen van oude batterijen en bierkratten, maar daar is geen sprake van. Cadmium staat hier voor de oranje-gele kleur van zonlicht tussen bomen, dat we ook op een foto van de dichter op het voorplat kunnen zien. Die door bomen gefilterde zonneschijn staat, denk ik, voor een romantische natuurervaring inclusief het hoopgevend hemelse licht.

Er is nog wel volop eenzaamheid, die bij De Waard reeds bundels lang bezongen dichterlijke gemoedstoestand, alleen wordt die nu getemperd door hoop: `[...] een vriendelijk woord/ dat valt uit vriendelijke// mond, verricht al wonderen/ kan vonkenregens/ sterrenstelsels doen ontstaan –// Troost en lankmoedigheid, bemoediging/ de woorden zelf te proeven/ doet al heilzaam aan'. Kom daar nog maar eens om: op die manier steken ze je zelfs bij de Samen op Weg Kerken geen riem onder het hart.

Nogal wat gedichten grossieren in dergelijke, nauwelijks vormgegeven ontboezemingen. Ooit, zes bundels eerder, in het Een wildernis van verbindingen (1986), wist De Waard overtuigend spankracht te geven aan wanhoop en getob. Hoe kan zo iemand dan vervolgens zo weinig zelfkritiek aan de dag leggen? Dat komt (als je de verantwoordelijkheid van de uitgever buiten beschouwing laat) grotendeels door de haast kinderlijke poëtica die aan deze poëzie ten grondslag ligt, in deze nieuwe bundel expliciet aldus verwoord:

Het onmiddellijke

te beschrijven, het hier

en nu van het innerlijke

de wereld te benoemen

in termen van het gemoed, van

voelen en aandoeningen

Schrijven is een ding

doen toch, dichten

is dat dwingerder nog

De expressie van het innerlijk kan ontegenzeggelijk grote poëzie opleveren, maar het gaat natuurlijk om dat `dwingende'. Dat bijvoorbeeld aan de vorm ontleend zou kunnen worden. Vorm is echter niet iets waar in deze gedichten veel aandacht aan lijkt te worden besteed. Zo is er in de hier aangehaalde regels wel sprake van rijm (omarmend klankrijm; onmiddellijke/ innerlijke – benoemen/ aandoeningen), maar de gewrongen manier waarop `toch en `nog' met elkaar worden verbonden spreekt boekdelen.

Scepsis opschortend vraag je je dan af of die gewrongenheid misschien juist een stijlmiddel is, te vergelijken met onbeholpenheid elders (`Wie staat hier opgesierd en/ uitgedost en neergepoot, kortom?/ het Hollands vrouwendom'; of het volrijm van een `lichtvlerk van de zon/ aarzelt nog aan de horizon'). Dat blijkt echter nooit het geval, evenmin als in de vorige vijf bundels (ik laat de in 2000 verschenen bloemlezing Zestig nu even buiten beschouwing). De taal blijft eendimensionaal, vaak op het dommige af. Zou de dichter daarom steeds haar achterhoofd achter op haar bundels laten afbeelden – om de lezer wijs te maken dat zij daar niet op gevallen is?

Hoopgevend daarentegen is voor mij niet dat `vriendelijk woord/ dat valt uit vriendelijke// mond', maar wel dat De Waards thematiek zich weer wat lijkt te verbreden na de honderden pagina's monotone liefdespoëzie van het laatste decennium, waarin de dichter zich telkens vergeefs met de Ander probeerde te verenigen. Weliswaar voegde het feit, dat het hier om de relatief weinig bezongen damesliefde ging iets toe, alleen de manier waarop was vaak pijnlijk.

Ook in Van cadmium lekken de bossen vinden we daar nog oprispingen van: `Het rijden op haar kam, al glijdend/ zien op de top van haar golfslag blijvend/ haar curve te volgen – ach// er is niets heerlijkers dan het verleiden/ van ogenschijnlijk koele vrouwen'. Vooral dat `ogenschijnlijk' geeft goed de onhandigheid aan van dit poëtisch idioom: het is overbodig omdat het niks toevoegt aan de tegenstelling tussen verleiden en koele vrouwen.

Ik wil de naïeviteit van de dichtkunst niet bespotten, die vereist moed. Dat geldt evenzeer voor Elly de Waard, die (wat je verder ook van dit werk vindt) niet bang is onderuit te gaan. Daarom tot slot de constatering waarmee recensies over De Waard meestal besluiten: er komen enkele goede regels in deze bundel voor. En zelfs een goed gedicht, hoorbaar door Gorter geïnspireerd:

Je oren zijn als elfenbankjes

je dijen zijn zo zacht

als hertenvel, ik wilde wel

dat je een bloes droeg van heel licht

verlepte orchideeën

de witte, simpele, de orchis

phalaenopsis

Elly de Waard: Van cadmium lekken de bossen. De Harmonie, 99 blz. E15,85