Enron: schaduwen van de Grote Depressie

Oprichter Kenneth Lay van Enron was een meester in het scheppen van belangenconflicten. Die `alledaagse' conflicten vormden de kern van het Enron-schandaal.

Voorstanders van het laisser faire-kapitalisme stellen dat de Japanse variant van het systeem ten onder is gegaan aan vriendjespolitiek. De voormalige tijgereconomieën in Zuidoost-Azië zijn ook gesneuveld door corruptie. Toch zijn de belangenconflicten die in het Enron-schandaal aan het licht zijn gekomen niet wezenlijk anders. Zij vormen een soortgelijke bedreiging voor de stabiliteit en de voorspoed van het westerse kapitalisme.

Een belangenconflict is een situatie die kan, maar niet hoeft te leiden tot misbruik van het vertrouwen van een klant teneinde daar zelf van te profiteren.Veel mensen, met name in de wereld van de zakenbanken (en hun advocaten), zien dit belangrijke punt over het hoofd. Zij zeggen tegen de sceptische waarnemer: ,,Ik heb niets verkeerds gedaan en daarom was er geen sprake van een belangenconflict.'' Daarnaast voeren ze aan dat ondoordringbare muren tussen de commerciële en adviserende afdelingen van de zakenbanken moeten voorkomen dat belangenconflicten kunnen ontstaan. Maar wat ze op grond van onze strikte definitie eigenlijk zouden moeten zeggen is: ,,Ja, er is een belangenconflict, maar daar hebben we geen misbruik van gemaakt.''

Kenneth Lay, oprichter en sinds gisteren ex-topman van het failliete Amerikaanse energiebedrijf Enron, was een meester in het scheppen van belangenconflicten, zelfs in situaties waarin je ze normaal gesproken nooit aantreft. Diverse niet-uitvoerende directeuren in de raad van bestuur van Enron, onder wie de vroegere Britse Conservatieve minister Lord Wakeham, waren ook als consultant werkzaam voor het bedrijf. Maar de echte belangenconflicten, die de kern van het Enron-schandaal vormen, zijn veel alledaagser van aard.

Er wordt vaak beweerd dat aandelenopties ervoor zorgen dat de belangen van het bestuur en de aandeelhouders op één lijn komen te liggen. Als dat waar zou zijn, hoe kan het dan dat het hogere kader van Enron met meer dan 1 miljard dollar heeft geprofiteerd van aandelenverkopen, terwijl andere aandeelhouders, waaronder lagergeplaatste personeelsleden, met lege handen zijn achtergebleven? In werkelijkheid geven opties het bestuur een motief om de aandelenkoers op de korte termijn op te drijven, zelfs als dat ten koste gaat van de toekomst van het bedrijf op de langere termijn.

Het jongste jaarverslag van Enron pochte dat het bedrijf al zijn aandacht richtte op de winst per aandeel. Wat er niet in stond, was dat de groei van die winst eerder tot stand kwam door boekhoudkundige trucs, zoals financiering buiten de balans om, buitensporige kredietspeculatie en manipulatie van de winstcijfers, dan door conventionelere methoden. In dit geval kan de mate van misbruik van het belangenconflict afgemeten worden aan het verschil tussen de winsten van Enrons hogere kader en de verliezen van zijn andere aandeelhouders.

Er waren ook diverse belangenconflicten tussen Enron en zijn adviseurs. Accountantskantoor Arthur Andersen verdiende meer aan zijn werkzaamheden als consultant van Enron dan aan het controleren van de boeken. Wellicht weten we over enige tijd of er misbruik van dit belangenconflict is gemaakt. De slome berusting van Andersen in Enrons overdrijving van zijn winsten en in het buiten de boeken houden van bepaalde risico's, gevoegd bij het vernietigen van documenten in het hoofdkantoor in Houston, voorspelt echter weinig goeds.

Analisten van sommige zakenbanken bleven optimistisch over Enron, zelfs nadat vele anderen al vragen hadden gesteld over de ondoorzichtigheid van de balans en de lage rendementen op geïnvesteerd kapitaal. Merrill Lynch en zijn werknemers deden mee aan leningen die buiten de boeken werden gehouden en droegen ertoe bij dat anderen, waaronder JP Morgan Chase, hier ook honderden miljoenen dollars in staken. JP Morgan en Citigroup werden door Enron als zakenbank in de arm genomen nadat ze geld aan het bedrijf hadden geleend. Enrons crediteuren, waaronder JP Morgan, dagen nu de verzekeringsmaatschappijen voor het gerecht die geweigerd hebben de zekerheidsobligaties ('surity bonds') te honoreren die de crediteuren hadden afgesloten op de energiecontracten van Enron. Eén belangrijke schuldeiser, Citigroup, doet niet mee aan deze rechtszaak, vermoedelijk omdat een van zijn dochterondernemingen tot de gedaagden behoort.

JP Morgan was ook blootgesteld aan risico's die samenhingen met de activiteiten van Enron op de derivatenmarkt. Charles Peabody, de standvastige, onafhankelijke analist van Ventana Capital, wijst erop dat JP Morgan in het derde kwartaal van afgelopen jaar een paar van zijn belangen in de energiesector verkocht, terwijl de zakenbank op hetzelfde moment klanten aanraadde om in energiebedrijven te beleggen.

De regering-Bush heeft geweigerd Enron te redden, ondanks het feit dat het bedrijf en zijn werknemers veel leden van de regering en meer dan de helft van de gekozen politici op het Capitool financieel hebben ondersteund. Niettemin heeft de vroegere minister van Financiën Robert Rubin, nu in dienst van de Citigroup, de huidige onderminister van Financiën, Peter Fisher, opgebeld met de vraag of de autoriteiten Enron niet konden helpen een bankroet te vermijden.

In het verleden was de lobby van Enron veel succesvoller. Begin jaren negentig slaagde het bedrijf erin te voorkomen dat de Commodities and Futures Trading Commission (de onafhankelijke toezichthouder van de futures- en optiemarkten in de VS, de CFTC) zich zou bezighouden met de handel in energietermijncontracten. Even later werd de voorzitster van de CFTC, Wendy Gramm, benoemd tot directeur van Enron. Nog later nam haar echtgenoot, de Texaanse senator Phil Gramm, de activiteiten van Enron op dit terrein in bescherming tegen dreigende reguleringsmaatregelen.

Een groot deel van de wetgeving uit de tijd van de New Deal aan het begin van de jaren dertig was geïnspireerd door de wens om belangenconflicten in de zakenwereld tegen te gaan, omdat men dacht dat deze hadden bijgedragen aan de hevigheid van de Grote Depressie. Na de aanvaarding van de Glass-Steagall Act in 1933 werd de National City Bank ontdaan van zijn activiteiten in de aandelenhandel en werden de diverse afdelingen van de bank van elkaar gescheiden. Na de intrekking van de betrokken wet in 1999 hebben deze bedrijven zich weer aaneengesloten als Citigroup en JP Morgan Chase, en zijn ze nog monolithischer van karakter en door nog grotere belangenconflicten getekend dan tachtig jaar geleden.

Edward Chancellor is redacteur van Breaking Views.

Vertaling Menno Grootveld