Denken tegen de gesloten grenzen

Mensen zouden vrij moeten kunnen migreren, en nationale overheden hebben ook een plicht tegenover mensen die niet hun onderdaan zijn, maar die bescherming, een nieuwe kans of onderdak vragen. Die notie, uitgedragen door de prominente Britse filosoof Michael Dummett in On Immigration and Refugees, klinkt tegenwoordig zo wereldvreemd, dat het verleidelijk is de auteur af te doen als een dromerige salonkosmopoliet. Maar Michael Dummett is geen dromer, hij is een eminente taalfilosoof en logicus, die zich bovendien als burger, in de humanitaire traditie van Bertrand Russell, al decennia lang sterk maakt in de strijd tegen racisme en xenofobie. Zijn essay over migratie, onderdeel van een prikkelende nieuwe Routledge-reeks, is allereerst een analyse van de principes op grond waarvan een natiestaat migratiekwesties moet behandelen, en daarnaast een aanklacht tegen de politiek van achtereenvolgende Britse regeringen in de twintigste eeuw.

Volgens Dummett is een goed gereguleerd beleid van `open grenzen' het enige rechtvaardige middel in een wereld die de inkomensverschillen tussen rijk en arm, uitgedrukt in per capita reëel inkomen, volgens The Financial Times heeft zien exploderen van 10:1 in 1900 tot 60:1 in 2000. Elk ander beleid komt neer op groepsegoïsme, en op een ontkenning dat er iets bestaat als transnationale verantwoordelijkheid en rechtvaardigheid. Migratie is op termijn bovendien nodig om de vergrijzing van de Europese arbeidspopulatie te compenseren, meent Dummett, die broodnuchter het verborgen racisme blootlegt in argumenten om de niet-Europese immigratie in te dammen. Een nationale staat heeft weliswaar het recht zich te beschermen als het gevaar dreigt dat hij `overspoeld' wordt door immigranten, maar daarvan is geen sprake, meent Dummett, ondanks de verhitte retoriek van populistische politici.

Wortels

Dummett verwerpt overigens het fatalistische idee dat racisme `diepe' wortels zou hebben. Integendeel, ondanks de hevigheid ervan, zijn raciale vooroordelen eerder juist extreem oppervlakkig, meent hij, wat natuurlijk nog niet wil zeggen dat ze ook onschuldig zijn. Maar maakbaar, dat zijn ze. In een sociale context die uitingen van racisme bestraft of taboe verklaart, verdwijnen `diepe' racistische gevoelens gemakkelijk, noteert Dummett. Fanatici zijn dan wellicht onuitroeibaar, maar de meeste mensen internaliseren nu eenmaal de sociale codes van hun omgeving. Die constatering van Dummett schenkt een grote kracht aan het publieke woord, omgangsvormen en sociale controle, en snijdt daarmee aan twee kanten: enerzijds is het een waarschuwing om predikanten en populisten die zeggen `waar het op staat' serieus te nemen, anderzijds is het een pleidooi voor de in Nederland door helden van de geest nu zo manhaftig verworpen politieke correctheid.

Zo'n tegengeluid is waardevol, al rijst de vraag of Dummett sommige problemen niet onderschat. Hij wijst terecht alarmistische retoriek over immigratie als zodanig af. Maar weet hij ook het splijtende potentieel van bijvoorbeeld religieuze verschillen op waarde te schatten, zoals dat blijkt uit de escalatie van het debat over de islam na elf september? Die blinde vlek valt temeer op, omdat Dummett kennelijk zelf ook praat uit een religieuze inspiratie, zoals in zijn opmerking dat de cynische manipulatie van een bevolking voor onwaardige doelen wel eens `een zonde tegen de Heilige Geest' kan zijn.

In het tweede deel van zijn essay hekelt Dummett in kraakheldere bewoordingen het racistische vreemdelingenbeleid van achtereenvolgende Britse regeringen, dat vooral bestaat uit een lange reeks restricties en blokkades tegen vrije immigratie, zelfs van burgers uit het eigen Gemenebest. Hij behandelt de paniek rond Aziatische immigratie, begin jaren zestig, toen een quota-systeem werd ingevoerd; het racistische populisme van Enoch Powell, die voorzag dat in Engeland binnenkort `de zwarte de zweep zal slaan over de blanke'; de pogingen om de komst te verhinderen van (Britse) Aziaten die door Idi Amin waren verjaagd uit Oeganda; en de golf van vreemdelingenhaat die door het land rolde onder Margaret Thatcher (die de definitie van Brits burger versmalde om gekleurde rijksgenoten buiten te houden maar wel volledig burgerschap verleende aan de witte bewoners van de Falkland Eilanden).

Gebroken

Sinds 1983 is de xenofobe golf gebroken en teruggerold, noteert Dummett, en hoewel een groot deel van het Britse publiek nog altijd vooroordelen koestert, is Groot-Brittannië zelfs meer een `multi-raciale' samenleving geworden dan de meeste continentale Europese naties. Dummett ziet zelfs, onder Tony Blair, een hoopvol einde gloren aan het `dogma' dat Britse regeringen dertig jaar lang heeft beheerst: dat immigratie een bedreiging en een gevaar is. In de rest van Europa, dat zich steeds meer dichtmetselt tegen de golf van immigratie uit het zuiden, vechten paniek, haat, egoïsme, maar anderzijds menselijkheid en verstand, nog om de voorrang.

Michael Dummett schrijft helder, secuur Engels proza. Het taalgebruik van zijn beroemde Franse collega Derrida is cryptisch, evocatief, en neigt in zijn latere werk naar een soort bijbels-religieuze profetie. In On Cosmopolitanism and Forgiveness laat hij in twee korte stukken zijn geest waaien over de stad als vrijplaats, de contradicties van het kosmopolitisme, en de noodzaak van vergeving, juist voor het onvergeeflijke. Gastvrijheid is volgens Derrida geen eigenschap van een cultuur, maar synoniem ermee, een inzicht dat in het Europa van de verzegelde grenzen verloren dreig te gaan. De tweede bijdrage nodigt het meest uit tot discussie, al blijft Derrida's betoog te abstract en tastend voor zinnige tegenspraak. Hij `droomt' van vergeving die `onvoorwaardelijk is, maar niet soeverein'. Vergeving van machtige beulen misschien, door machteloze slachtoffers – laat dat langer een droom blijven dan Michael Dummetts idee van transnationale rechtvaardigheid.

Michael Dummett: On Immigration and Refugees. Thinking in Action. Routledge, 160 blz. E19,64

Jacques Derrida: On Cosmopolitanism and Forgiveness. Thinking in Action. Routledge, 60 blz. E12,71