Debutanten vormen hart van festival

Temidden van de vele internationale filmfestivals valt dat van Rotterdam op door de gespecialiseerde aandacht voor het soort cinema dat je met ontoereikende termen als `jong', `vernieuwend' en `experimenteel' zou kunnen aanduiden. Ook al storten de beide festivaldirecteuren Simon Field en Sandra den Hamer zich niet onvoorwaardelijk in de concurrentieslag om de wereldpremières, toch had met name het festival van Berlijn, dat twee dagen na het slot van Rotterdam begint, in het verleden genoeg last van die Hollandse horzel. Men stelde zich behoorlijk kinderachtig op en producenten die hun film naar Rotterdam zonden werden bedreigd met uitsluiting. Aan de oorlog tussen Berlijn en Rotterdam lijkt een einde te zijn gekomen met de benoeming vorig jaar van Dieter Kosslick, voorheen lid van de Rotterdamse `familie' van stamgasten, als directeur in Berlijn. Er werd vorige week zelfs een vorm van samenwerking aangekondigd, de zogeheten Rotterdam-Berlinale Express. Een aantal voor de Rotterdamse Cinemart geselecteerde projecten, die daar naar (aanvullende) financiering zoeken, zal ook op de markt van Berlijn gepresenteerd worden. Rotterdam wordt kennelijk internationaal erkend als een festival met speciale kwaliteiten, getuige ook het feit dat Marie-Pierre Macia, artistiek directeur van de Quinzaine des Réalisateurs in Cannes, dit jaar de jury in Rotterdam voorzit.

De filmcompetitie bestaat dit jaar uit zestien films van beginnende regisseurs, van wie er drie een van de gelijkwaardige Tiger Awards krijgen. Ook al noemt Field de aspirant-tijgers `het hart van het festival', wegens de aandacht voor debutanten, tot nu toe hebben de eerdere Rotterdamse prijswinnaars sindsdien weinig progressie vertoond. De grote uitzondering was de Brit Christopher Nolan, die vorig jaar met zijn volgende, in Amerika gemaakte film Memento groot succes had, en zo zijn er nog een paar, met name de Oostenrijker Stefan Ruzowitzky en de Japanse Naomi Kawase, maar het zijn uitzonderingen. Op basis van een kwart van de inzendingen van dit jaar lijkt ook dit weer een voornamelijk prille oogst te worden.

De Nederlandse telefilm Tussenland van Eugenie Jansen slaat geen slecht figuur in de competitie, al is het de vraag of de problematiek van miskende Indië-veteranen in het buitenland herkenbaar is. In het voormalige Cinemart-project Weekend Plot van de Chinees Zhang Ming brengen een aantal inwoners van Peking een paar vrije dagen door aan zee, vlakbij de provinciestad waar ze eigenlijk vandaan komen. De landerigheid en existentiële leegte, voor Chinese begrippen zeer ongebruikelijk, zijn net als de vorm van de film duidelijk geïnspireerd door Michelangelo Antonioni's L'avventura, maar die vergelijking pakt een beetje pijnlijk uit.

Twee verdienstelijke West-Europese debuutfilms, het Duitse Mein Bruder der Vampir (`Getting my Brother Laid') van Sven Taddicken en het Oostenrijkse Nogo van Sabine Riedler en Gerhard Ertl, verraden beide het idioom van Amerikaanse publieksfilms in licht geperverteerde variaties. Taddickens zwarte komedie over een broer en zus in de tienerleeftijd, die beiden veel moeite doen voor hun ontmaagding, komt wat moeilijk op gang, maar ontstijgt uiteindelijk ruimschoots de thematiek van American Pie, met gewaagde vormgrapjes. Nogo vertelt drie verhalen over merkwaardige paren die samenkomen in een gewelddadige confrontatie bij een tankstation: het is gespeel met Amerikaanse genreconventies à la Tarantino (de mannen heten Sam, Tom en Joe), maar dan met heel vervelende, constant doordreunende muziek op de geluidsband. De eerste dagen van de competitie lijken nog geen grote bijdragen aan de vernieuwing van de cinema te bevatten.

CS pag. 20: Interview met Eugenie Jansen over Tussenland.