De ontspoorde strijd voor een vrij Atjeh

Atjeh reageert deels onverschillig, deels verslagen op de dood van de bevelhebber van de Beweging Vrij Atjeh (GAM). De bevolking is het geweld zat. Toch was Abdullah Syafi'ie een man die anders had gewenst.

De voorzitter van de Indonesische Raad van Ulama's (schriftgeleerden) in Centraal-Atjeh onderbreekt het gesprek. Ook hij is op bezoek bij de secretaris van het regentschap en hij heeft beleefd geluisterd. Dan buigt hij zich naar voren en zegt zachtjes: ,,Neem me niet kwalijk, maar weten de heren al dat Abdullah Syafi'ie is neergeschoten?'' Dat weten de heren nog niet, want Takengon, een stadje aan het bergmeer met dezelfde naam, is niet te bereiken via de mobiele telefoon en die avond is de stroom opnieuw uitgevallen.

De volgende morgen weet heel Atjeh dat de bevelhebber van de gewapende arm van de Beweging Vrij Atjeh (GAM), zijn vrouw en vijf leden van zijn persoonlijke escorte dinsdag in een vuurgevecht met het Indonesische leger zijn omgekomen. Wij zijn inmiddels gearriveerd in het regentschap Pidie, waar Syafi'ie een dag eerder is gesneuveld. De uitbater van het koffiehuis in Ulee Gle, een districtshoofdplaats op een steenworp van de Straat van Malakka, heeft maar één exemplaar van Serambi, het enige dagblad van Atjeh. Het ligt uit elkaar en de voorpagina met het nieuws is stukgelezen.

Syafi'ie en acht man van zijn gevolg stonden op het punt hun provisorische hoofdkwartier in de bergen, 40 kilometer van Ulee Gle, te verlaten, toen zij werden aangevallen door twintig militairen onder leiding van een Balinese sergeant. De eenheid had de locatie al een week op afstand geobserveerd en GAM-koeriers zien komen en gaan. Dinsdagochtend om half tien vielen ze van verschillende kanten aan. Het GAM-commando was omsingeld, kon geen kant op en had slechts tijd om een paar schoten te lossen. Toen het vuren verstomde, lagen er zeven lijken op de berghelling en had het Indonesische leger zijn grootste slag geslagen sinds het vorig jaar opnieuw in het offensief ging tegen de GAM.

Een Atjehse kennis schuift aan en bestelt een rauw ei en een glas zwarte koffie. Ulee Gle reageert deels onverschillig, deels verslagen, vertelt hij. Menige Atjeher is de GAM, de afpersingen en de sluipmoorden op onwillige 'belastingplichtigen' en andere 'verraders' beu, maar Syafi'ie was een GAM-lid van het eerste uur en had een goede naam. We drinken onze koffie en gaan op weg naar onze afspraak.

Het gehucht Jangka Buya ligt verscholen tussen kokospalmen, als een donkergroen eiland in een zee van sawa's. De rijst is net aangeplant en het bevloeiingswater weerspiegelt het strakke blauw van de tropenhemel. Hier sappelen arme Atjehers in de rijstvelden van hun beter bedeelde dorpsgenoten. We stoppen voor een traditioneel houten huis, waarvan de dakrand fraai is beschilderd. Hier woont Abu (vader) Sulaiman, een van de meest gezaghebbende ulama's in dit deel van Atjeh. De oude man zit op een gevlochten mat, zijn ene been – het andere is afgezet – gevouwen onder zijn geruite sarong. Als het bezoek binnenkomt, knoopt hij zijn witte tuniek dicht, want hij is net ontwaakt uit zijn middagslaapje. ,,Ik ben niet op mijn best'', zegt hij zacht, ,,want ik rouw om de dood van Abdullah Syafi'ie''. We informeren of abu een goede verstandhouding had met commandant Syafi'ie. ,,Hij was een goed mens'', zegt Sulaiman. ,,Hij nodigde me enkele malen uit naar zijn hoofdkwartier in de bergen. Dan kwam hij me afhalen, op blote voeten, en droeg me van de auto naar zijn huis. Hij vroeg of ik namens hem recht wilde spreken in mijn gebied, maar dat heb ik geweigerd, want ik was bang voor de republiek.''

Streekgenoten van Sulaiman vertellen dat de oude schriftgeleerde het verzoek van Syafi'ie wel degelijk ter harte heeft genomen en sindsdien langs informele weg optrad tegen allerlei ontsporingen. Hij heeft de naam van niemand bang te zijn. Niet van het Indonesische leger, dat in de laatste jaren van het Soeharto-bewind meedogenloos optrad tegen de GAM en tegen Atjehers die het voor aanhangers en sympathisanten hield. Maar ook niet van plaatselijke GAM-commandanten, die zich in de loop der jaren ontpopten als kleine dwingelanden, die boeren, winkeliers en ambtenaren afpersten in naam van de `vrijheidsstrijd'.

Sulaiman is nog van voor de oorlog, toen Atjeh bij Nederlands-Indië hoorde. Aan die tijd heeft hij geen herinneringen, maar wel aan de Japanse bezetting. Ongevraagd zingt hij enkele strofen uit een Japans nationalistisch lied, dat hij als jongen moest leren. Atjeh, vertelt hij, sloot zich na de oorlog aan bij de republiek, hoewel het een eigen, roemrijke geschiedenis heeft en in de zeventiende eeuw, onder sultan Iskandar Muda, een belangrijke maritieme mogendheid was. ,,Atjeh heeft weinig plezier beleefd aan zijn aansluiting bij de republiek'', zegt Sulaiman, ,,de kloof tussen arm en rijk werd alleen maar breder. Dat onrecht ligt ten grondslag aan de strijd voor een vrij Atjeh.''

,,In het begin (bij de oprichting in 1975) deelde ik de idealen van de GAM'', vervolgt de ulama, ,,maar de GAM van toen bestaat niet meer. De mensen die macht kregen in de gewapende strijd tegen de republiek bleken lieden van laag allooi, zonder enige scholing. Zij lieten zich meeslepen door hun hebzucht en zo werd het volk van Atjeh opnieuw slachtoffer. Ik zie bij de GAM weinig mensen meer van Syafi'ie's kaliber.''

Volgens Sulaiman had Syafi'ie zijn ondergeschikten niet meer onder controle. ,,De onderlinge communicatie is de afgelopen jaren vastgelopen en plaatselijke commandanten gingen hun eigen weg. Wat de GAM hier, in Ulee Gle en omgeving, de laatste jaren heeft aangericht, gebeurde niet in opdracht van Syafi'ie, dat weet ik zeker. Ik heb hem enkele malen opgezocht en me daarover beklaagd. Zijn ondergeschikten hier in de buurt waren daar boos over en dreigden me de keel af te snijden. Er zijn ulama door de GAM vermoord. Dat is een doodzonde in Gods ogen en het heeft niets te maken met de islam, waarvoor de GAM zegt op te komen. Die lieden moeten worden berecht, maar de rechters in Atjeh durven dat niet, want zij worden door de GAM bedreigd. Ulama, mannen van het geloof, moeten vooropgaan bij het corrigeren van deze ontsporingen, maar – dat geef ik eerlijk toe – ook zij zijn bang.''