De melkweg van moedertalen

Socioloog Abram de Swaan weet weinig van taalkunde, maar dat is geen nadeel in zijn boek over het `wereldtalenstelsel', dat vroeger `wereldtalenprobleem' heette. Meer dan de absoluut ware zaken, maken de nieuwe zaken die erin staan, het boek aanbevelenswaardig.

Eerst vier anekdotes. 1. Toen ik mijn vriend dertig jaar geleden leerde kennen, sprak hij met een Engels accent. Hij groeide op in Portugal, waar hij op Engelse scholen zat. Hij sprak dus op straat Portugees, op school en thuis met broers en zussen Engels, en met zijn moeder de moedertaal: Nederlands. Nu is hij de beste vertaler van Nederlandse literatuur in het Engels en klaagt dat schrijvers en uitgevers in Nederland liever iemand als vertaler hebben die miserabel Nederlands spreekt. Die schrijvers en uitgevers geloven kennelijk in het sprookje dat, zoals de mens maar één moeder kan hebben, hij ook maar één moedertaal kan hebben. Dat miljoenen mensen twee talen beheersen zonder dat je een van de twee de moedertaal kan noemen, weten zij niet. Dat iemand ook drie, ja zelfs vier moedertalen (talen die hij in zijn vroege jeugd leerde en net zo goed beheerst als een eentalige spreker) kan bezitten, komt niet bij ze op. `Ik ga maar Nederlands met een Engels accent praten', zei hij laatst toen hij te horen kreeg dat men liefst iemand had die native speaker van het Engels was.

2 Ronald Plasterk las in Buitenhof uit een Hollandse krant een in het Fries gestelde advertentie voor. Hij deed dat zo dat iedereen de inhoud van de advertentie meende te begrijpen. Plasterk concludeerde: `Dus is Fries geen taal!'. Algemene instemming en gelach.

Niemand dacht er aan dat een Friese voorlezer van een Nederlandse tekst in Friesland op die manier kan concluderen: `Dus is Nederlands geen taal!'. Duitsers deden dat trouwens vroeger vaak. Je eigen taal is een echte taal, maar een andere taal is hoogstens een dialect!

3 René Appel roemt in Onze Taal het Nederlands van mevrouw M. Zorreguieta. In de Tweede Kamer blijkt men gezegd te hebben dat onze andere immigranten daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Maar zij volgde dure lessen, 66 uur per week, in een Belgisch instituut.

Kader Abdolah reageerde op Appels hoge cijfer met: `Het kan geen kwaad als je een beetje accent houdt. Het is zelfs charmant als je wat van je Zuid-Amerkaanse accent bewaart. Laat ze niet te diep in je geest sleutelen'. De taalleraar als geestsleutelaar!

4 De Franse minister van Binnenlandse Zaken trad vorig jaar af omdat zijn premier het idee lanceerde om de Corsicanen meer Corsicaans te gunnen. De minister had op dat eiland juist een prefect benoemd omdat die zo streng het Catalaans in de Franse Pyreneeën had bestreden. Die prefect zit nu in de nor wegens brandstichting. En de ex-minister zegt nu dat hij tot de uiterste datum niet met euros maar met Franse franken betaalt.

Duits en Nederlands worden, omdat het staatstalen zijn, in Oost- en Noord-Frankrijk toegestaan, maar Bretons en Corsicaans worden kinderachtig tegengewerkt. Als er naast Frans nog een taal wordt gesproken is de Franse staat in gevaar! Gek dat Zwitserland al eeuwen zo'n stabiel land is.

Vier jaar geleden hoorde ik Abram de Swaan op het Parijse Collège de France een lezing geven, die ik nu herken als een hoofdstuk in zijn boek. Voor die colleges schreef hij de tekst in het Frans. Later schreef hij het nog eens in het Engels op. En daarna vertaalde Leonoor Broeder het met hem in het Nederlands. Veertig procent van het boek bestaat uit een algemene beschouwing over wat men vroeger `het Wereldtalenprobleem' noemde en wat De Swaan nu optimistisch `Het mondiale talenstelsel' noemt. Zestig procent bestaat uit analyses van de situaties in India, Indonesië, drie Afrikaanse gebieden (Franstalig, Engelstalig, en Zuid-Afrika) en in de Europese Unie.

Het talenstelsel wordt vergeleken met het astronomische stelsel. De kleinste hemellichamen zijn een paar duizend talen, vooral taaltjes. Deze cirkelen rond een honderdtal planeten, de centrale talen. Het zijn talen met een schrift die vaak nationale talen zijn. Dit hondertal belangrijke talen draait weer om een dozijn centrale talen: Chinees, Hindi, Japans, Maleis, Swahili, Arabisch, en in onze buurt: Duits, Engels, Frans, Spaans, Portugees, Russisch. Van die twaalf zonnen is het Engels het centrum.

In een zeldzame venijnige noot schrijft De Swaan: `De Franse sociolinguïst Louis-Jean Calvet besteedt het merendeel van een hoofdstuk aan een uiteenzetting over het wereldtalenstelsel. Na een getrouwe, soms bijna letterlijke samenvatting van mijn ,,galactische model' doopt hij het om tot zijn ,,gravitatiemodel'.' Die Calvet is dus weinig origineel. Maar de term `gravitatie' wijst op een verklaring waar De Swaan met zijn neutrale Melkweg-benaming terecht van wegblijft. Toch gingen mijn wenkbrauwen omhoog toen ik bij hem las dat `het mondiale talensysteem de vele duizenden taalgroepen op aarde omvat binnen een enkel sterk geordend patroon'.

Geordend patroon? De werkelijkheid is anders. Taalkundigen proberen families van talen te vinden, maar het blijft een rommeltje. Plasterk beschouwt Fries als een maantje bij de planeet Nederlands. Duitsers zagen Nederlands als een planeetje bij de zon Duits. Maar geen mens kan beweren dat Baskisch en Bretons in een Franse baan bewegen.

Gelukkig schrijft De Swaan dertien bladzijden verder: `Het wereldtalenstelsel is niet ontworpen met het oog op efficiency – het is helemaal niet ontworpen'. Waarom het dan `sterk geordend' genoemd? Als we duizend talen van plaats zouden doen ruilen met duizend andere talen, en ook nog een paar werelddelen in stukken zouden snijden, dan zou de term `geordend' nog steeds, met even weinig recht, gebruikt kunnen worden. Misschien stuit ik hier op een sociologische kijk waarvan de waarde mij ontgaat.

Ook in zijn indrukwekkende boek over de staatszorg (De mens is de mens een zorg) vond ik het geven van rationele redenen voor wanhopig verwarde verschijnselen niet altijd overtuigend. De talen van de wereld zijn totaal ongeordend, maar het is waar: de wereldbevolking behelpt zich ermee.

In de afgelopen weken is in Nederland over het boek van de Swaan gesproken en geschreven op radio en in kranten. Steeds kwam daarbij maar één onderwerp aan de orde. Namelijk de vraag: Blijft het Nederlands bestaan? Ja, zegt De Swaan, en dan ademt zijn gesprekspartner tevreden. Toch is er niets in zijn boek dat op een eeuwig voortbestaan van het Nederlands wijst. Als, om op zijn niet geheel onverwachte eindconclusie vooruit te lopen, het Engels de centrale wereldtaal wordt, dan zou je ook kunnen denken dat Vlamen en Friezen en Twenten en Zeeuwen de Nederlandse taal als overbodige tussenschakel gaan verdrijven. Ik ben het met De Swaan eens dat de positie van het Nederlands nu robuust lijkt, en dat het opnemen van leenwoorden niets uitmaakt. Maar ik zou toch twee dingen durven voorspellen: 1. Over 40 jaar bestaat het Nederlands nog. 2. Over 400 jaar bestaat het Nederlands niet meer.

Hoe kiezen mensen welke taal ze willen leren? Hiervoor heeft De Swaan een grootheid bedacht, die hij kennelijk als het voornaamste nieuws in zijn boek beschouwt en die dus aandacht verdient. Men kiest in de eerste plaats voor een taal die door veel mensen gesproken wordt. Maar men kiest ook voor een taal die al door veel mensen als tweede taal gesproken wordt. De kans dat je een bepaalde taal besluit te leren is dus het product van twee factoren: een getal dat aangeeft welk gedeelte van de mensen die taal van huis uit spreekt maal een getal dat aangeeft hoe vaak die taal bij meertaligen aanwezig is. De Swaan noemt dit product de Q-waarde, altijd een klein getal onder de één.

Bij elk van zijn detailstudies krijgen we behalve de aantallen in miljoenen sprekers van allerlei talen en talenparen, ook de Q-waarden berekend. Als de Q-waarde klopt met de feitelijk geconstateerde voorkeur, dan blijkt de Q dus een nuttige utvinding. En als het niet klopt, dan moet er uitgelegd worden hoe deze uitzondering veroorzaakt wordt. De Q wordt daarmee een, uit vele wetenschappen bekende, abstractie die het denken bepaalt. De Swaan zegt erover `Als het werkt bestaat het'. Ik zou zeggen: `Sterker nog: ook als het niet werkt bestaat het'. Is die Q een nuttige uitvinding? Twee bezwaren noem ik, de een principieel, de ander praktisch.

Naar mijn smaak wordt de principiële zwakte van Q verborgen in een kleine, bij het uitrekenen onzichtbare, clausule in de definitie. Men berekent de Q namelijk in een bepaalde constellatie van talen. Natuurlijk zal geen Pool die moet kiezen of hij Duits of Engels gaat leren, de Q-waarde voor Chinees in zijn overwegingen betrekkken, en Russisch is ook al over de horizon verdwenen. Als Engeland zich niet politiek aan Europa wil binden, zou het Engels wel eens uit de Brusselse constellatie kunnen verdwijnen.

Tegen de Q is als praktisch bezwaar in te brengen dat geen mens de getallen kent waaruit hij berekend moet worden. De Swaan geeft zelf diverse keren toe dat zijn gegevens niet erg betrouwbaar zijn en snel veranderen. Hoe moet de individuele taalkiezer het dan doen? Zal hij niet gewoon redeneren: `Ze leren allemaal Engels, dus dat doe ik ook maar'? Het kudde-effect kan bij het kopen van aandelen of wedden op paarden onvoordelig zijn, maar bij talenkeuze is ook bij een onnadenkende keus het effect het gewenste: we gaan allemaal Engels leren en dat blijkt een juiste beslissing want we gaan allemaal Engels leren.

Het boek van De Swaan is uniek. Ik ken tenminste geen ander boek dat zo duidelijk de taalproblematiek plus de oplossing in kaart brengt. De stijl is de prettige, duidelijke, niet-gewild-geleerde stijl die de lezer van deze krant zich van De Swaans columns zal herinneren.

De Swaan weet weinig van taalkunde en dat is geen nadeel. Hij denkt dat taal op één moment op één plaats is uitgevonden en zich daarna steeds verder heeft gedifferentiëerd. Dat lijkt mij onzin, maar voor de gedachtengang van het boek maakt het niet uit. Mij stoort het dat hij een paar keer over `creoolse talen en pidgins' schrijft zonder die twee begrippen te definieren. De Swaan zegt dat linguïsten almaar huilen om het uitsterven van talen. Ik heb twintig jaar tussen taalkundigen gewerkt, maar van zulke sentimenten weinig gemerkt. Wat De Swaan over de mogelijkheden van mechanische vertaling zegt, is net zo optimistich als wat ik daar al een halve eeuw over hoor. Maar met het voortschrijden van de tijd kan ik in dat optimisme niet meer geloven. Dat computervertaling in de toekomst gaat lukken door grote verzamelingen zinnen in computers te bewaren, is onzin: bijna elke nieuw opgeschreven zin werd nooit eerder opgeschreven. Hij citeert Nico Weber die zegt dat `mechanische vertaling het beste gaat bij informatieve, feitelijke, beschrijvende tekst in een zakelijke stijl over onderwerpen met onveranderlijke inhoud:'. Dat hoor ik ook al vijftig jaar en `het beste' betekent in dit verband nog steeds: `miserabel'. De vergelijking met het programmeren van een schaakcomputer raakt kant noch wal.

Ook zonder computer is vertalen moeilijk genoeg. Zo schrijft De Swaan dat Afrikanen de verschillen tusssen hun talen aandikken en `er prat op konden gaan dat ze vele talen spreken die vaak eigenlijk dialecten van een en dezelfde taal waren'. Hoor ik hier een echo van Plasterk? Hoe weten wij dat het woord `taal' in elk van die Afrikaanse talen hetzelfde betekent als het woord `taal' in het Nederlands van De Swaan?

Zonder twijfel spelen economische motieven bij het kiezen van een taal een rol. Maar de homo economicus is in taalzaken toch vaak een dief van eigen portemonnee. De Javanen gaven, tegen alle eigenbelang in, hun aanspraken op de eigen meerderheidstaal op en bevorderden een nieuwe Indonesische eenheidstaal. In een afdwaling over culturele consumptie valt op hoe het economisch motief voor De Swaan het enige lijkt, al wordt daarbij ook `prestige' meegerekend. Maar neem nu de Nederlandse literatuur. Die kan bestaan omdat honderdduizend vrouwen tussen de veertig en de zeventig jaar onophoudelijk Nederlandse romans lezen. Daar zit geen enkel economisch motief achter. Alle Q-waarden wijzen naar andere literaturen. Ze lezen het niet om er rijker van te worden. De schrijvers schrijven trouwens ook niet om er rijker van te worden. Maar ik dwaal af, zoals De Swaan hier afdwaalde.

Meer dan de helft van het boek is gevuld met specifieke beschrijvingen van taalsituaties. Die zijn bijzonder boeiend al moeten sommige vragen, zoals `Waarom deed Nederland niet zijn best het Nederlands in Nederlands Oost-Indië in te voeren?' zonder definitief antwoord blijven. Dat een Afrikaans land waar iedereen een en dezelfde Afrikaanse taal spreekt, toch het Frans als officiële taal houdt, wordt wel voorbeeldig verklaard.

De bespreking van een boek bestaat vaak uit een rij complimenten en een rij bezwaren. Aan het slot vergelijkt de recensent de lengtes van die twee rijen en komt tot een eindcijfer. Bij mij werkt het anders. Er staan in dit boek veel dingen, misschien te veel, die absoluut waar zijn, en die ik meestal ook al wist of vermoedde. Er staan gelukkig ook dingen in die nieuw zijn en waarbij ik, zoals ik hierboven toonde, wel eens mijn twijfels heb. Het is vanwege die laatste dingen dat ik Woorden van de Wereld bij iedereen aanbeveel. Dan moet u maar op de koop toe nemen dat u een paar keer gaat lezen dat Engels wint.

In de toekomst zal inderdaad iedereen op aarde minstens twee moedertalen hebben, waarvan een het Engels is. Behalve dan de arme Engelsen en Amerikanen die het met één taal zullen moeten doen en nooit iets in een andere taal zullen kunnen horen of lezen. Want geloof maar niet dat zij nog Q-waardes voor Spaans of Nederlands gaan uitrekenen. De Engelse literatuur wordt nu al beheerst door grote schrijvers uit India, de Caraïben, Zuid-Afrika, Ceylon en dat zal alleen nog maar erger worden.

Abram de Swaan: Woorden van de wereld. Het mondiale talenstelsel. Uit het Engels vertaald door Leonoor Broeder. Bert Bakker, 298 blz. E28,95