De kleinste oorlog

In een serie vertaalde klassieken deze week `Onafhankelijke mensen' van de IJslandse Nobelprijswinnaar Halldór Laxness (vert. Marcel Otten, De Geus, 608 blz, eur27,–)

Het is een wreed land, IJsland, de natuur is onverbiddelijk. De winters met vorst en sneeuw zijn ongenaakbaar. De lange nachten veroorzaken verveling, de bevolking is licht geneigd tot bijgeloof in geesten en heksen. Van de IJslandse schrijver en Nobelprijswinnaar Halldór Laxness verscheen in 1934-35 zijn tweedelige romanepos Onafhankelijke mensen (Sjálfstaet fólk). Een titel die je ook, robuuster, met Stijfkoppig volk kunt vertalen, want over trots, stijfkoppigheid, onafhankelijkheid en soevereiniteit gaat dit boek. Toch is de keuze voor `onafhankelijk' te verklaren, want in dit woord klinkt de onafhankelijkheidsstrijd mee van IJsland jegens het door de eeuwen heen dominante Denemarken.

Eigenlijk telt dat ene boek vijf romans, onderling samenhangend en tegelijk verschillend van toon, sfeer en met een keur aan personages. Laxness (1902-1998) schreef de delen voornamelijk in Zuid-Europese steden als Barcelona, Nice en Rome. Hij was jong toen hij aan het epos begon, rond zijn 27ste. Het moet aan de mediterrane streken te danken zijn dat Onafhankelijke mensen zo virtuoos en lichtend is, alsof over de woorden een zuidelijke glans ligt. Hoezeer Laxness telkens weet te verrassen met briljante beelden voor sneeuw, koude, desolate noordelijke landschappen en wolkenluchten, het boek wordt nooit somber. Het is wel monomaan – in die zin dat overwegingen, eindeloze zijwegen en beschrijvingen het winnen van een dwingende handeling.

Wat er gebeurt, kan in weinig zinnen worden gezegd. Hoofdpersoon is Bjart, een schapenhoeder die er alles aan gelegen is zijn onafhankelijkheid te bevechten. Het krot dat hij bewoont noemt hij liefdevol het Zomerhuis. Na achttien jaar bij zijn baas in dienst te zijn geweest, begint hij een eigen bedrijf. Maar hij moet nog wel twaalf jaar aan de gemeente afbetalen. Dus zo makkelijk kan hij zich niet onttrekken aan `de anderen' dat zijn de vijanden, de spreekwoordelijke `hel' van Sartre. Voor Bjart is de individuele strijd om onafhankelijkheid `de kleinste oorlog ooit op aarde uitgevochten'.

Hij lokt een vrouw naar zijn schamele onderkomen, maar de bevalling betekent haar dood. Het kind is niet eens van Bjart, het is van de zoon van haar vroegere baas. Toch neemt zijn stiefdochter, die hij Asta Sollilja noemt, de belangrijkste plaats in zijn leven in. Het kind ontwikkelt zich op merkwaardige gespleten wijze; ze is zachtmoedig en tegelijk hard van karakter. Ze heeft iets moois en is ook schonkig. Ook zij loopt met open ogen het ongeluk tegemoet: zij krijgt een kind én tbc van haar huisleraar. En dan is er nog Gvend, Bjarts zoon bij zijn tweede vrouw. Hoewel Bjart in hem zijn opvolger ziet, ontwikkelt deze zich tot de grootse schlemiel. Bovendien wordt hij fataal verliefd op de kleindochter van Bjarts voormalige landheer. Des te heftiger Bjart naar onafhankelijkheid verlangt, des te vaster raakt hij verstrikt in de netten van het leven.

Ondanks deze aaneenschakeling van onheil en rampspoed is Onafhankelijke mensen allesbehalve neerslachtig. En Bjart mag dan een wonderlijke snoeshaan zijn, dankzij een bijna hartverscheurende monterheid blijft zijn weerstand ongebroken. Laxness heeft alles in het werk gesteld zijn held vooral niet meelijwekkend te laten zijn, en daarin is hij wonderwel geslaagd. De tegenslag die de schapenhoeder treft Bjarts wereld bestaat uitsluitend uit `schaap' wordt door Laxness op bijna surrealistische wijze opgeroepen. Zo doodt de boerin een ooi omdat het beest, opgesloten in de stal, zo verschrikkelijk blaat dat de vrouw denkt dat het bezeten is van een boze geest. Op even lugubere als meeslepende wijze beschrijft de auteur de bijna rituele slacht.

Het is of de schapen, Bjarts enige middel van bestaan, het onheil aantrekken; sommige zijn zo ziek dat de maden uit hun neus kruipen. En wanneer de warmte van het voorjaar te lang uitblijft en de velden besneeuwd en bevroren blijven, dan sterven de pasgeboren lammeren massaal. De schapen die de winter overleven, wacht nog een gruwelijke verrassing. Bij nacht en ontij dient een kwade geest zich aan die de beesten de keel afsnijdt of zelfs, bij wijze van marteling, ophangt aan een strop.

Het interessante aan Bjarts karakter is zijn volstrekte onwetendheid van welke sociale verhouding of ontwikkeling dan ook. In de tijd dat het boek zich afspeelt, breekt de Wereldoorlog uit, de Eerste. Het ontgaat Bjart, die het best gedijt in zijn isolement. Amerika heeft voor tal van IJslanders een magische betekenis als het land van de groene weilanden, rijke velden. Zo niet voor Bjart: Amerika is een land dat `verder ligt dan de dood'.

Laxness munt uit in sententies min of meer universele formuleringen die op een hoger niveau dan het anekdotische inzicht bieden in de personages. Zo staat er over een kleine jongen, Nonnie, die 's nachts niet kan slapen en droomt van verre landen: `Voorbij waren de dagen dat hem gezegd werd dat er geen landen achter de bergen bestonden, voorbij de nachten dat het keukengerei gesprekken voerde in de kast en op de plank om de verveling van het leven en de verschrikkingen van de leegte te verbannen; en het gesnurk en die zonderlinge karavaantochten door vreemde gebieden – wat voor reizen? Hij zelf, hij was het die reisde.'

Bjarts onweerstaanbaar optimisme blijkt mooi uit het volgende beeld, dat staat in het hoofdstuk `Poëzie'. De openingszin van dit essayistische relaas luidt: `En het licht van de kennis begint te schijnen.' Daarna komt de overweging: `Als je een bloem bekijkt die rank en hulpeloos boven in de woestenij tussen honderdduizend stenen groeit en die je bij toeval vindt, dan vraag je je af: hoe komt het dat het leven altijd probeert door te breken? Nee, ook die bloem bereidt zich voor op de begrenzing en de onbegrensdheid van al het leven en ze leeft in de liefde van het goede achter die honderdduizend mensen als jij en ik: koester haar en trek haar niet uit, misschien is het Asta Sollilja.' En deze Asta is de stiefdochter die Bjart boven alles liefheeft.

In passages als deze, en er zijn talloze van dit kaliber, lijkt het of de romancier zijn pen aan de dichter heeft uitgeleend, zo poëtisch van toon en zeggingskracht. Dat is niet in de laatste plaats te danken aan de zeer bekwame vertaling van Marcel Otten, die Laxness' verbale grillen en stilistische noviteiten in suggestief Nederlands heeft gevangen.

De slotwoorden van Onafhankelijke mensen vormen de uiterste consequentie van deze beschadigde levens. In een droomachtige beschrijving trekt Bjart met Asta en haar kinderen het wijde land in, ze moeten hun huis verlaten. Verlangen naar onafhankelijkheid is het afroepen van het noodlot. Laxness schrijft: `Het leven van de keuterboer, het leven van de onafhankelijke mens, is in wezen de vlucht voor andere mensen die hem willen doden. Van het ene nachtverblijf naar het andere, dat nog erger is.' Het is een droevig einde, dat prachtig harmonieert met het begin. Toen trok Bjart opgewekt naar het Zomerhuis, nu verlaat hij het met zijn weerloze kleinkinderen. Liefdevol zegt Bjart tegen zijn kleindochter, die zo lijkt op zijn dochter Asta: `Hou je vast aan mijn hals, mijn bloem.' En dan de laatste regel: `Vervolgens trokken ze verder.'

Daar gaan ze dan, de wrede leegte tegemoet. Onafhankelijke mensen is een groots boek. Ik zag tal van overeenkomsten met romans van Faulkner, zoals Het Gehucht en Licht in Augustus. Dezelfde bezwerende stijl en de liefdevolle aandacht voor het fragiele lot van de kleine mens.