Buitenland staat nog niet te trappelen voor JSF

De prijs van de nieuwe Joint Strike Fighter (JSF) is ongewis. Die hangt immers ten nauwste samen met het aantal dat de Amerikanen wereldwijd weten te slijten.

Mocht het kabinet vandaag kiezen voor deelname aan de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter (JSF), dan staat Nederland in elk geval voorlopig bijna moederziel alleen in Europa.

Dat komt deels doordat niet alle landen industrieel-technisch in staat zijn deel te nemen aan zo'n project, maar vooral ook omdat andere landen de voorkeur geven aan andere gevechtsvliegtuigen.

Door voor 800 miljoen euro mee te doen aan de ontwikkeling, kiest Nederland feitelijk ook voor de aanschaf van de JSF.

Als de animo voor het geavanceerde Amerikaanse toestel echter inderdaad zo gering blijft als het nu lijkt, kan dat belangrijke gevolgen hebben voor de prijs van de vliegtuigen.

Alleen Groot-Brittannië heeft vorige zomer al een akkoord met de VS gesloten over de aanschaf van zo'n 120 tot 150 JSF-vliegtuigen, in het bijzonder voor op zijn vliegdekschepen. Het gaat hier echter om de speciale marine-versie, die verticaal kan opstijgen. Verder vertrouwen de Britten echter op de Eurofighter, waarin zij meedoen met Duitsland, Spanje en Italië.

De kans bestaat dat ook Italië betrokken zal raken bij de ontwikkeling en een aantal JSF's zal kopen, maar dit staat nog allerminst vast. En dan zou het gaan om hooguit 50 vliegtuigen voor de marine. Frankrijk heeft geen belangstelling, want het beschikt over zijn eigen Rafale, die het ook aan Nederland probeert te slijten.

Van de kleinere Europese landen heeft België al besloten geen nieuwe generatie gevechtsvliegtuigen aan te schaffen. Denemarken heeft op zichzelf wel interesse in de JSF, maar zal pas in 2008 een besluit nemen. Ook Noorwegen heeft over een jaar of acht nieuwe gevechtsvliegtuigen nodig. In totaal gaat het daarbij om 48 vliegtuigen, hetzij JSF's, hetzij Eurofighters. Zweden houdt het bij zijn eigen Saab Gripen-vliegtuig, dat overigens eind vorig jaar ook door Tsjechië werd uitgekozen ter vervanging van zijn oude MiG`s. Ook Hongarije wil de Gripens, terwijl ook Oostenrijk en Polen hierin zijn geïnteresseerd.

Griekenland heeft eerder aangegeven belangstelling voor de Eurofighter te hebben. Turkije zou mogelijkerwijs wel een aantal JSF-toestellen kunnen afnemen, maar het land kampt met grote financiële problemen en een zeer omvangrijke order valt er niet te verwachten. Oost-Europa stelt zich veelal tevreden met Russisch of tweedehands materieel uit rijkere landen.

Buiten Europa zijn de perspectieven voor de JSF tot nu toe evenmin gunstig.

Israël geeft vooralsnog de voorkeur aan de nieuwste versie van de F-16, die in de praktijk een concurrent blijft voor de JSF. Op het ogenblik heeft het geen interesse in de JSF, aldus kolonel Noam Ben Zvi, de militaire attaché op de Israëlische ambassade. De Verenigde Arabische Emiraten hebben zojuist nieuwe F-16's aangeschaft, maar wellicht zullen Egypte en Saoedi-Arabië in de toekomst een aantal JSF's kopen. In Azië komt verder slechts Japan in aanmerking voor de JSF. De Australische luchtmacht zou ook enkele exemplaren kunnen afnemen. In Afrika is alleen Zuid-Afrika rijk genoeg voor dure nieuwe gevechtsvliegtuigen, maar dat land heeft al geopteerd voor de Saab Gripen.

In Zuid-Amerika lijkt de voorkeur van de meeste landen uit te gaan naar nieuwe, goedkopere versies van de F-5. In Noord-Amerika is er dan verder nog Canada als potentiële klant.

De JSF-fabrikant Lockheed-Martin hanteert op het ogenblik een prijs van 39,5 miljoen euro per toestel, maar het bedrijf wil niet garanderen dat dit bedrag later niet hoger uitvalt. De praktijk leert echter dat zulke toestellen vaak veel duurder worden dan eerst werd gesuggereerd.

De situatie met de JSF roept herinneringen op aan de jaren '70, toen Nederland voor de F-16 koos. Na aanschaf van het standaardmodel achtte de luchtmacht het toen onder meer nodig een meer verfijnde radar in de toestellen aan te brengen. Daardoor werd de prijs fors hoger dan eerst was begroot.

Veel hangt voor de uiteindelijke prijs ook af van de afzet van de JSF in het buitenland. De Amerikanen zijn steeds uitgegaan van een markt van zo'n 2.000 stuks, terwijl de Amerikaanse luchtmacht goed zou zijn voor zo'n 2.600 JSF-toestellen. Door die grote aantallen zou de prijs laag kunnen blijven.

De JSF-prijs van 39,5 miljoen euro per stuk is slechts haalbaar wanneer er minimaal 2.400 JSF-toestellen in de VS zelf en 1.000 in het buitenland worden afgezet. Op grond hiervan lijkt het twijfelachtig of de Amerikanen dat ooit halen.

De Delftse luchtvaartdeskundige P.B. Rutten, werkzaam als vliegtuigontwerper bij het ingenieursbureau INCAT, heeft aan de hand van gegevens van Lockheed-Martin berekeningen uitgevoerd over de gevolgen voor de prijs. Worden het er bij voorbeeld in totaal 700 minder, aldus Rutten, dan stijgt de prijs met zo'n 3,5 miljoen euro per stuk. Stijgt de verkoop daarentegen in totaal tot 5.000 exemplaren, dan daalt de prijs per toestel met zo'n 10 procent tot zo'n 35 miljoen euro. Bij dat alles wordt er dan wel van uitgegaan dat de luchtmacht na aanschaf van de JSF ditmaal geen kostbare aanpassingen nodig oordeelt, zoals bij de F-16 indertijd, en dat er bij de ontwikkeling en de productie geen onverwachte kinken in de kabel komen.