Boertigheid verliest

Typisch Nederlandse kenmerken van kunst, zoals een calvinistische neiging tot ordening of juist een niet te beteugelen anarchie, ze bestaan niet.

Bij toeval kwam ik een afbeelding tegen van een schilderij van de Italiaanse schilder Gentile Bellini, de Heilige Kruisprocessie op de Piazza San Marco in Venetië, uit 1496, en ik realiseerde me daardoor dat we van Het Huwelijk van volgende week niet hoeven te verwachten dat er ook maar één belangrijk kunstwerk uit voort zal komen. Het schilderij van Bellini maakt duidelijk waarom dit onwaarschijnlijk is. Langs de randen van het plein beweegt zich rustig een processie voort van geestelijken en inwoners van de stad. Op de achtergrond rijst de San Marco omhoog tegen een diepblauwe avondhemel. De gouden mozaïeken in de open gewelven van de wijde arcade van de kathederaal glinsteren, banieren wapperen op de hoeken van de balustrade. Midden op het plein, warmroze gekleurd in het licht van de ondergaande zon, wandelen rijkgeklede Venetianen. Bellini laat er geen twijfel over bestaan dat de gebeurtenis voor de aanwezigen van grote betekenis is. Het is te zien aan hun feestmantels, aan hun gebaren, en aan de waardigheid van hun poses.

Al een jaar lang leeft de Nederlandse natie toe naar Het Huwelijk. De toer van Máxima en Alexander door het met banieren versierde centrum van Amsterdam zal veel mensen op de been brengen. Maar de processie, de hele dag trouwens, zal het karakter hebben van een soap, vol goedkoop sentiment. Geen enkele zichzelf respecterende kunstenaar zal zich door deze dag laten inspireren, anders dan op een ironische manier. Het Huwelijk, hoe mediageniek ook, mist daartoe de betekenis – niet in de laatste plaats omdat het moeilijk is om de hoofdrolspelers serieus te nemen.

Nu is dit niet de 15de eeuw, en een prinselijk paar is niet heilig. We leven in een andere tijd; je zou zelfs kunnen zeggen dat de waarheid niet langer bestaat nu alles is gereduceerd tot meningen. Daar komt nog bij dat de historieschilderkunst in Nederland nooit, in tegenstelling tot andere West-Europese landen, een hoge vlucht heeft genomen. Onze neiging tot relativeren en onze afkeer van uiterlijk vertoon zal hiermee te maken hebben. In zijn biografie van Erasmus parafraseert Johan Huizinga een passage uit Lof der Zotheid, in 1509 door de Rotterdamse humanist geschreven, aldus: ,,Wat is het hele leven der stervelingen anders dan een toneelstuk, waar elk met een ander masker optreedt en zijn rol speelt, tot de regisseur hem doet aftreden? [...] De staat met zijn eerambten, de vaderlandsliefde en nationale trots, de staatsie van plechtigheden, de waan van stand en adeldom, wat is het anders dan dwaasheid?''

Grofheid

Eerder dan pronkzucht en een liefde voor uiterlijke beschaving lijkt, volgens sommige waarnemers, een zekere grofheid en boertigheid ons eigen te zijn. Wie in het buitenland op een groep Nederlanders stuit, kan hun alleen maar gelijk geven. Erasmus beklaagt zich in zijn brieven regelmatig over de lompheid van zijn landgenoten. Zo schreef hij uit Parijs: ,,In Holland is de lucht goed voor mij, maar de overvloedige slempmalen daar hinderen mij; en voeg daarbij het ordinaire soort mensen, onbeschaafd, de hevige verachting der studiën, geen vrucht hoegenaamd van de geleerdheid, de ergste nijd.''

Het is één ding om boertig te zijn, maar het is nog weer een ander ding om, als een soort omgekeerde pronkzucht, met deze boersheid te koop te lopen. Dit gebeurt met de tentoonstelling De Grote Hoop, in het Fries Museum te Leeuwarden, samengesteld door de kunsthistoricus Fred Wagemans. Wagemans maakte een selectie uit de Nederlandse kunst van de afgelopen veertig jaar. Deze selectie was vorig jaar te zien in de kunsthal Charlottenburg in Kopenhagen. De titel de Grote Hoop verwijst, inderdaad, naar faecaliën. Weliswaar luidde de titel in Denemarken anders, namelijk From the Low Countries, Reality and Art 1960-2001, maar de opzet was hetzelfde. Centraal op de tentoonstelling staat het Composttoilet van Atelier Van Lieshout. Volgens Wagemans ,,verstrijken daaromheen veertig jaar, met als nettoresultaat een aanzienlijk volume mensenmest''. Wagemans besluit de tekst in de catalogus als volgt: ,,Het composttoilet ontneemt de scherpe kanten aan al te sterke ego's. En moedigt de anders onzichtbaren aan om met overtuiging hun behoefte te doen, en zo op voet van gelijkwaardigheid bij te dragen aan de Grote Hoop.'' Hollandser kan het al niet: én de boersigheid, én de moralistische terechtwijzing aan het adres van `al te sterke ego's': niet met de kop boven het maaiveld uit, want we zijn uiteindelijk allemaal gelijk.

Wagemans' conclusie mag dus misschien iets betekenen in een antropologisch onderzoek naar de Nederlandse volksaard, maar in de context van de kunst is het een volstrekt waardeloos uitgangspunt. Het principe van gelijkheid staat haaks op de kunst: in de kunst is alles per definitie ongelijk. Daar gaat het in de kunst juist om: hier draait het om het volkomen eigene, specifieke, onvervangbare, hoogst individuele, per definitie onvergelijkbare. Wie probeert dit specifieke te ontkennen en het eigene te nivelleren kan nooit een goede tentoonstelling maken. De Grote Hoop doet zijn naam dan ook eer aan: het is een volstrekt willekeurige greep van kunstwerken van een al even willekeurige groep van 22 kunstenaars. Een totale onverschilligheid, een grauwe brij, is het resultaat. De leidraad voor de tentoonstelling is, volgens Wagemans, de relatie tussen kunst en werkelijkheid. Dit is een open deur: vrijwel alle beeldende kunst gaat over de werkelijkheid. En passant zoekt Wagemans naar Nederlandse kenmerken van de kunst, zoals de calvinistische neiging tot ordening of juist het tegenovergestelde, een ,,niet te beteugelen, dikke klont van vrije uitdrukking''.

Kwetsbaarheid

Het probleem is niet dat er geen enkel goed kunstwerk op de tentoonstelling is de reliëfs van Schoonhoven, schilderijen van Fons Haagmans, landschapsfoto's van Hans Aarsman, filmpjes van Bas Jan Ader bijvoorbeeld zijn op zichzelf waardevol, maar in dit verband worden kunstwerken van iedere betekenis ontdaan. Het wordt letterlijk onmogelijk ze te zien. Een beetje quasi-rationele ordening hier – Henk Peeters, Joost van Oss –, een beetje expressie daar – Roland Ophuis, Arnoud Holleman. Het gaat op deze manier nergens over. Kunstwerken zijn kwetsbaar, en een tentoonstellingsmaker zou zich daar als geen ander van bewust moeten zijn.

Het Composttoilet van Atelier Van Lieshout is een mooi ding. Het principe is simpel. De wc is op een hoge container geplaatst en bereikbaar via een trapje. Toevoeging van een hand stro na iedere ontlasting zorgt, in combinatie met een luchtcirculatiesysteem, voor compostering. Na een jaar kan de flap aan de onderkant van de container worden geopend en de naar verse aarde geurende compost worden verwijderd. Het toilet, vervaardigd van gekleurd polyester, is onderdeel van de collectie kasten, badkamer- en keukeninrichtingen die door de onderneming van Joep van Lieshout worden geproduceerd voor de markt. Het andere deel van zijn activiteiten richt zich op de verwerkelijking van zijn kunstenaarsdroom van totale onafhankelijkheid, belichaamd in zijn mobile homes. Van Lieshout heeft vorig jaar geprobeerd dit alles waar te maken met de stichting van een anarchistische `vrijstaat', genaamd AVL-Ville, in een verloren uithoek van de Rotterdamse haven. De bewoners van AVL-Ville zouden volkomen selfsuppporting zijn. Zij bewoonden de diverse campers, hielden dieren en runden een restaurant, er was een machinewerkplaats, een wapenfabriekje en een ziekenhuis-camper met een complete operatiekamer.

Is er iets typisch Hollands aan het werk van Van Lieshout? Nee, zijn droom is universeel menselijk. Wél echt Hollands is de manier waarop hij zijn vrijstaat probeerde te realiseren: met subsidie afkomstig uit de fondsen van Rotterdam Culturele Hoofdstad. AVL-Ville was een belangrijke trekpleister voor Rotterdam gedurende dat feestjaar, maar is enkele weken geleden op last van de gemeente gesloten. Van Lieshout wijt de mislukking van AVL-Ville aan de bemoeizucht van politie, brandweer en milieudiensten. Inderdaad, een anarchistische vrijstaat waar geen alcohol geschonken kan worden omdat het aan een drankvergunning ontbreekt, dat heeft iets merkwaardigs. Maar nog veel merkwaardiger is het, en vooral ook naïef, dat Van Lieshout dacht zijn project te organiseren met geld van de gemeente. Een door de overheid gesubsidieerde anarchistische vrijstaat, dat is wel het ultieme voorbeeld van denken volgens het poldermodel.

Het is volkomen heilloos om de nationale kenmerken van kunst te proberen te definiëren. Zoals Hafid Bouazza schreef: ,,Zoeken naar antropologische kenmerken in kunstwerken is voorbijgaan aan het transcendentale karakter van kunst.'' Maar een gezond zelfbewustzijn, een zekere trots op wat je te bieden hebt, daar is niets op tegen. Behalve een folkloristisch koninklijk huwelijk, tulpen en klompen en dergelijke, hebben we hier ook waardevolle kunst. Het is een gemiste kans dat de Denen niet op een goede manier kennis hebben kunnen maken met hedendaagse kunst uit Nederland.

De tentoonstelling `De Grote Hoop, Nederlandse kunst 1960-2001' is t/m 14 april te zien in het Fries Museum, Turfmarkt 11, Leeuwarden. Open: dizo, 11-17 uur.