Zaak-Enron bewijst rot politiek stelsel VS

De affaire-Enron is het zoveelste schandaal in Amerika dat draait om de verwevenheid van bedrijfsleven en politiek. De zaak wordt echter pikant door de innige band tussen het bedrijf en president Bush en veel andere leden van zijn regering, meent William Pfaff.

De zaak van Enron en zijn accountants zou dit jaar weleens de opvolger kunnen worden van de affaire-Monica Lewinsky. Maar met de aanpak van het schandaal is het echte probleem van Amerika, de invloed van geld in de politiek, nog niet opgelost.

De affaire-Enron is het zoveelste schandaal dat draait om de verwevenheid van bedrijfsleven en politiek. Alleen is het qua omvang en vernuftigheid nog extremer dan alle vorige. Toch is er tot dusverre nog niets onwettigs ontdekt in de betrekkingen tussen Enron en de regering-Bush. Enron bewijst opnieuw dat bedrijfsgeld een belangrijke rol speelt in het Amerikaanse politieke stelsel. En dat stelsel is rot.

Vroeger bestond in de Amerikaanse politieke arena een min of meer vrije strijd tussen tegengestelde meningen en belangen. Daarin is verandering gekomen: het huidige stelsel zorgt ervoor dat het nationale sociaal-economische beleid wordt overheerst door zakelijke belangen en dat het bedrijfsleven bovendien invloed heeft op belangrijke beslissingen die de buitenlandse politiek betreffen. Sinds het Hooggerechtshof uitgaven voor verkiezingscampagnes en bijdragen aan kandidaat-politici als een vorm van grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van meningsuiting interpreteerde, speelt geld een allesoverheersende rol.

Het logische gevolg van deze beslissing was dat de overwinning meestal gaat naar degene die het meeste geld aan zijn verkiezingscampagne besteedt, en dat de meeste kandidaten die niet het belang van een bedrijf of werknemersorganisatie vertegenwoordigen, geen schijn van kans hebben. Wie geld beschikbaar heeft gesteld voor een campagne krijgt meestal ook waar voor zijn geld, want een kandidaat die gewonnen heeft wil herkozen worden. De meerderheid van het hof vond het kennelijk geen bezwaar dat dit het gevolg zou zijn van haar uitspraak.

Bedrijven zijn er om winst te maken voor hun investeerders en voor de managers die het bedrijf leiden. De andere doelstellingen een product maken en werkgelegenheid bieden aan werknemers zijn in de huidige bedrijfsfilosofie ondergeschikt aan het streven naar een maximaal rendement van kapitaal.

De zaak-Enron is op zichzelf dus niet erg verbazingwekkend. Het gaat weliswaar om het grootste schandaal tot nu toe, maar dat is alles. Er zullen er meer volgen. De zaak wordt echter pikant door de innige band tussen het bedrijf en president Bush en veel andere leden van zijn regering. Er is grote ophef ontstaan over het feit dat het bedrijf in vier van de afgelopen vijf jaar geen belasting heeft afgedragen en dat de op één na laatste daad van de directie bestond uit het plunderen van het pensioenfonds van de werknemers. Het enige verrassende is echter dat de raad van bestuur de zogeheten ethische code van het bedrijf heeft `opgeschort' om de schulden uit de gepubliceerde jaarverslagen te houden en de ware toestand van het bedrijf voor de investeerders te verhullen.

Het gedrag van de raad van bestuur vormt een weinig bemoedigende illustratie van de huidige Amerikaanse maatschappij. De raad bestond uit de gebruikelijke verzameling notabelen uit het bedrijfsleven en de samenleving, zoals de meeste raden van bestuur van bedrijven. Negen van de veertien raadsleden waren op één of andere wijze verbonden met instellingen die donaties van het bedrijf hadden ontvangen, waren zelf adviseur van Enron of waren verbonden aan bedrijven die eigendom waren van Enron, in Enron investeerden of zaken deden met Enron. De samenstelling van deze raad van bestuur alleen al had vragen moeten oproepen over de onafhankelijkheid ervan.

Het feit dat een zo conventionele groep vooraanstaande lieden bereid was de ethische code van het bedrijf terzijde te schuiven omdat het anders te lastig zou worden om op vernuftige wijze de belasting te ontduiken, zegt iets over de

ethische codes van bedrijven. Het is daarentegen helemaal niet verbazingwekkend dat de accountants en juristen van Arthur Andersen bereid waren ja, zelfs haast hadden, zo leek het om alle sporen uit te wissen en documenten te versnipperen. Al sinds de grote accountantskantoren zich gingen bezighouden met bedrijfsconsultancy zijn vragen gerezen over hun onpartijdigheid.

Het schandaal breidt zich uit nu de pers lucht heeft gekregen van de vele banden tussen de regering en Kenneth Lay en zijn bedrijf. Maar het belangrijkste en schandelijkste is dat het Amerikaanse politieke stelsel op dit moment wordt beheerst door het bedrijfsleven, vooral door zeer grote bedrijven en financiële belangen, wat ten koste gaat van andere groepen uit de samenleving die legitieme eisen aan de overheid stellen.

Het is al eerder vertoond, namelijk in de periode na de Burgeroorlog, toen het moderne Amerikaanse kapitalisme ontstond. De bijkomende uitbuiting en misbruik leidden tot `vuilspuiterij' van hervormingsgezinde verslaggevers en de invoering van bedrijfseconomische voorschriften onder de regering van Theodore Roosevelt.

Het is ook gebeurd na de Eerste Wereldoorlog, met als resultaat de beurskrach van 1929. Daarop volgde de New Deal met voorschriften voor de effectenbeurzen en de banken, wat na de Tweede Wereldoorlog resulteerde in het zakelijke model van het `beheerskapitalisme', waarbij de belangen van de werknemer en de gemeenschap worden beschermd.

Het valt te betwijfelen of er nu ook weer hervormingen mogelijk zijn. De politici verafschuwen het bestaande stelsel van ongelimiteerde uitgaven voor politieke campagnes, maar de bedrijven varen er wel bij. Zolang een nationale politieke verkiezingscampagne astronomische bedragen vergt, zal er geen gekozen meerderheid ontstaan die voor hervorming is. Zolang geld een vorm van beschermde vrijheid van meningsuiting blijft zal er niets veranderen in het Amerikaanse stelsel.

William Pfaff is columnist.

©LAT Syndicate