Vuil bestrijden met `schoonmomenten'

Bij de strijd tegen het vuil kan een reinigingsdienst het niet alleen. In Rotterdam probeert de Roteb dat met verlengde `schoonmomenten'.

Is de stad vuil? Nee. Is de stad dan schoon? Ook niet. ,,Het idee dat een stad schoon kan zijn, is een hulpconstructie. Een stad is nooit schoon. Waar het om gaat, is dat de burgers in een stad het gevoel hebben dat de stad schoongemaakt wordt.''

Aad van Nes, directeur publiekstaken van de Rotterdamse Roteb, heeft ,,een visie op schoonmaken''. ,,Natuurlijk. Zonder visie kan niemand werken.'' Maar eerst wil hij een misverstand uit de wereld helpen. ,,Je moet goed begrijpen dat voordat iets schoon wordt, het vuil wordt. Waarom wordt het vuil? Omdat je het gebruikt. Of omdat je het misbruikt. Dus als iets vuil en goor is, dan hebben wij dat niet gedaan. Het idee dat de reinigingsdienst het vuil dat we overdag ophalen 'snachts weer de stad in flikkert, klopt niet. Als iets vuil is komt dat niet door ons.''

Waardoor dan wel? ,,Zoals ik het zie, zijn er vier soorten burgers. Je hebt de betrokken burgers. Dat zijn de mensen die ons bellen. Op de 600.000 Rotterdammers zo'n 10.000 tot 20.000. Die zeggen bijvoorbeeld: als jullie onze straat komen schoonmaken terwijl er auto's op de rioolputjes staan, dan wordt het niet schoon, dus laten we een afspraak maken. Dan heb je de ongeïnteresseerden: niet tevreden, niet ontevreden. De derde groep zijn de weet-nieten, zij weten niet hoe ze zich moeten gedragen. Dat is ongeveer eenzesde van de bevolking.''

De Roteb ziet het als ,,een taak'' om de `weet-nieten' ,,bewuster te maken van hoe je met de stad moet omgaan''. ,,Meestal heeft het met cultuur te maken: wat de één vuil vindt, noemt de ander niet vuil. Dus hebben we nu verhalenvertellers. We houden toneelstukken in de straat, waarin we proberen uit te leggen hoe de ondergrondse containers werken. We gaan naar scholen, naar bewonersorganisaties, naar moskeeën. We houden ook acties, dan maken we straten projectmatig schoon, met water en een geurtje.''

Als je dat allemaal hebt gedaan, zegt Van Nes, dan hou je nog één groep over. ,,Dat zijn de eikels. Wat je ook doet, die verstieren het. Daar moet je de politie op af sturen.''

Aad van Nes (52) begon drie jaar geleden als directeur publiekstaken van de Roteb. Daarvoor werkte hij op het gemeentehuis, in de sociale-werkvoorziening, en, ruim twintig jaar, in het leger. Vanuit zijn kantoor aan het Kleinpolderplein heeft hij uitzicht op de A20, het Schiekanaal, een gemeentelijke weg en een groenstrook. ,, Als jíj hier naar buiten kijkt, zie je een gemeenteweg, een rijksweg, een stukje groen, een stukje water. Toen ík hier voor het eerst naar buiten keek, zag ik een organisatorische wanboel: drie, vier organisaties die verantwoordelijk waren voor het schoonmaken. De gemeentelijke weg was voor ons. Gemeentewerken deed het groen. Het rijk de snelweg. Weer een ander het water.''

De verdeling van het schoonmaakwerk over verschillende diensten had een aantal gevolgen. Het meest voor de hand liggende: ,,Een Roteb'er die vuil zag, had de neiging dat in de struiken te vegen.'' Een ander gevolg: ,,Een te korte beleving van het schoonmoment.'' Van Nes: ,,Het schoonmoment is het moment waarop de reinigingsdienst de straat in komt en schoonmaakt. Laten we zeggen: maandagmorgen om tien uur, en als de deelgemeente daar geld voor heeft uitgetrokken, donderdagmorgen om tien uur nog een keer. Dat geeft twee schoonmomenten, twee pieken (afb. 1). Maar als iemand om tien uur de deur al uit is, dan maakt hij die twee schoonmomenten dus niet mee. Zijn beleving is het gemiddelde van een piek en de neergang die volgt zodra wij de straat weer uitrijden. Hij denkt: het is altijd goor. Zelfs als de straat drie keer per week wordt schoongemaakt, bijvoorbeeld doordat op woensdag ook nog eens gemeentewerken langskomt voor de groenstrook.''

De reinigingsdienst streeft nu naar het `verlengen van het schoonmoment' door de introductie van het `buitenhuiskamermodel'. Van Nes: ,,Als je de dialoog met de burger aan wilt gaan, is een schaal van 600.000 individuen te groot. Dus hebben we gezocht naar de grootste schaal waar burgers zich nog mee kunnen identificeren. Dat is hun wijk. Die wijken zijn we buitenhuiskamers gaan noemen. Het woord huiskamer, dat heb je in alle talen, en hoe je daarmee omgaat, dat begrijpt ook iedereen. Daar scharrel je wat in rond, die onderhoud je en eens in de zoveel tijd hou je daar grote schoonmaak. Dus het buitenhuiskamermodel is tegelijk een communicatieprincipe en een organisatieprincipe.''

Hoe gaat het buitenhuiskamermodel in zijn werk? ,,Een paar jaar geleden zijn we nauwer gaan samenwerken met gemeentewerken. Daar zijn de buurtserviceteams uit voortgekomen: een paar mensen die de hele tijd rondlopen in een bepaalde wijk, blauwe broek, oranje hemd, een loopwagentje met bezems. Ze zijn herkenbaar en je kunt ze aanspreken, bijvoorbeeld als er ergens glas ligt. Als het goed is, lopen ze dan met je mee en vegen dat glas bij elkaar.''

Er zijn nu 750 mensen werkzaam in een buurtserviceteam, dat moeten er 1.400 worden. Zij staan aan de basis van de `van-gevel-tot-gevel aanpak' (afb. 2) en de verlenging van het schoonmoment.

Van Nes: ,,In de wet staat dat de burgers zelf verantwoordelijk zijn voor het schoonhouden van de stoep, maar dat doet niemand meer, dus de stoep is vuil. De reinigingsdienst was er voor de straat, maar daar staan auto's. Dus deden wij de straat tussen de auto's en het groen. En gemeentewerken deed het groen. Het totaalbeeld: gore straten. Nu nemen we de stoepen mee, de straat, de straat onder de auto's en het groen. Dat is de van-gevel-tot-gevel aanpak. Als er nu een schoonmoment is op maandagmorgen om tien uur, zorgen we dat het buurtserviceteam eerst komt en met bladblazers en bezems het vuil één kant op veegt. Daarna, om tien uur, komt het reinigingsteam met de grote machines. En dan gaat dus alle vuil in één keer mee.''

Afhankelijk van de sociale samenhang in een wijk is de `buitenhuiskamer' groter of kleiner. ,,Wanneer de sociale cohesie groot is, maken we de buitenhuiskamer groter. Niet te veel natuurlijk, want dan verliezen de mensen weer hun geloof in de aanpak.''

De sociale cohesie is laag als het aantal verhuizingen in een wijk boven de 20 procent komt. ,,Dan is het er meestal een teringzooi. In die gevallen vragen wij de deelgemeente meer geld uit te trekken voor het schoonhouden van de wijk.'' Met meer machines? ,,Welnee, het gaat niet om de machines. Het gaat om snel reageren. Alleen als je snel reageert, wordt het schoonmoment verlengd en neemt de waardering voor de omgeving toe. Dan gaan mensen zich ook anders gedragen.''

Het buitenhuiskamermodel is nog maar kort geleden geïntroduceerd en heeft nu in ruim 60 procent van de stad ingang gevonden. ,,En als ik eerlijk ben, zeg ik dat het in de helft van de gevallen goed loopt. Want het is nog heel lastig om het in de vingers te krijgen. En dan zeggen de oudere werknemers tegen mij: jij doet nu wel net alsof je allemaal nieuwe concepten hebt, maar vroeger hielden we de stad gewoon met z'n allen schoon. Toen kwamen de bezuinigingen. En daarna kwam de bestuurlijke verkokering. En zo is het. Ze hebben gelijk. Eigenlijk gaan we terug naar hoe het was.''