Kost en Inwoning

De leegte (4)

Op de zilveren ijsvlakte slaapt de zwaan.

En in haar slaap omhelst zij de ster.

En ze heeft de ster lief zoals ze de leegte liefheeft,

want de leegte liefhebben is zich ontdoen van alles

wat de leegte niet is.

Het landschap is een spiegel die breekt.

De schaduwen zijn lang en dringen diep door in elkaar.

Ogenblikken zonder naam.

Ogenblikken zonder beeld.

En allen die elkaar in deze landschappen herkennen,

kunnen elkaar niet verlaten.

Want volmaaktheid is omstrengeling.

Volmaaktheid is zich ontdoen van alles wat de leegte

niet is.

Claude van de Berge (geb. 1945)

Ik zou ze de kost niet willen geven die de eerste regel van dit gedicht

Op de zilveren ijsvlakte slaapt de zwaan

een pracht van een regel vinden. Wondermooi poëtisch. Echt iets voor een echt gedicht. Veel en veel prachtiger dan bij voorbeeld de regel

Op de vergulde zandwoestijn dommelt de

eekhoorn

je weet dan wel niet precies hoe je je een slapende zwaan op een ijsvlakte moet voorstellen rechtop? opzijgevallen? vastgevroren? maar die combinatie van slaap en zwaan! En dat zilveren!

Zilverenijs! Vlakteslaapt! Voor een voordrachtskunstenaar om het water van in de mond te krijgen.

Het is een poëtische regel zoals velen denken dat een poëtische regel er moet uitzien. Er zijn helaas veel te veel van die regels.

Op het aluminium aanrecht kreunt het konijn

– en ze betekenen ook allemaal ongeveer hetzelfde. Ze geven allemaal één en hetzelfde signaal af: dit moet poëzie zijn.

Passabel dus.

Ook de tweede regel, waarin de zwaan een ster omhelst, kan er nog mee door. Niet omdat het omhelzen door zwanen iets typisch poëtisch zou zijn, maar omdat in de slaap nu eenmaal alles kan. In de slaap kunnen zwanen met sterren uitspoken wat ze willen. In de slaap kunnen eekhoorns planeten vermalen en konijnen de kont van de zon kussen.

Toch voel je aan dat het in een gedicht als dit een keer mis moet gaan. Dat gebeurt dan ook in de derde regel al. Daar moet die rare draai worden gemaakt van een zwaan die een ster liefheeft zoals ze de leegte liefheeft, enkel en alleen omdat de dichter met de grootst mogelijke spoed aan zijn vierde regel wil toekomen, de regel waarin het liefhebben van leegte neerkomt op het zich ontdoen van alles wat leegte niet is.

Goeiemorgen!

Je begrijpt dat de dichter stond te trappelen om u die spitsvondigheid in de maag te splitsen. Die vierde regel bestond duidelijk al voor de eerste, tweede en derde, maar er diende eerst nog een toneelstukje te worden opgevoerd om haar in volle glorie te kunnen lanceren. De op het ijs slapende en steromhelzende zwaan was maar een decoratieve opmaat tot de finale klap van 's dichters diepzinnigheid. Dat het de dichter om die diepzinnigheid is begonnen blijkt extra uit het feit dat hij er het gedicht tevreden mee besluit

Volmaaktheid is zich ontdoen van alles wat

de leegte

niet is

hoeveel poëzie wordt niet door dit soort regels geteisterd? Dergelijke diepzinnige tournures zijn bijna het uithangbord geworden van neppoëzie. Het wit liefhebben is het bij elkaar optellen van alles wat zwart niet is. De steen liefhebben is het tot stilstand brengen van alles wat beweging niet is. Een kamer bewonen is het zich inkapselen in naar voren gedraaide achterkanten van vier muren. Lees in plaats van de bestaande slotregel

Leegte is zich ontdoen van alles wat de

volmaaktheid

niet is

en je ziet dat het geen lor uitmaakt. Het blijft op diepzinnigheid lijken en dat is alles.

In een ander gedicht heeft dezelfde dichter het over

Het vacuüm.

De ruimteloze ruimte

jawel, de leegteloze leegte, de ademloze adem, de hopeloze hoop, de jijloze jij, de poëzieloze poëzie.

Ik ben allergisch voor zulke zinloze zinnen.

Zodra ik in een gedicht wéér op zo'n holte stuit die bestaat uit de ontkenning van alles wat holtes minder hol maakt besluit ik met lezen op te houden.

Een dichter is geen zweefmolen.

In dit speciale geval heb ik het gedicht wel ten einde gelezen. Uit plichtsbetrachting. Echt lezen wil het niet meer worden. Je kijkt het gedicht nog even in, dat is het. Alsof je het niet langer vertrouwt en er alleen van een afstandje naar kan turen. Het gedicht heeft je de deur gewezen en je inspecteert nog even de voorgevel.

Genoeg om te zien dat ook het resterende deel poëtische humbug is. Het landschap dat een spiegel is die breekt en ogenblikken die zonder naam en zonder beeld zijn. Ogenblikken zonder deurbel.

Dan stoort het ook ineens dat de woorden te groot zijn in dit gedicht. Sterren en leegte. Herkennen en verlaten. Volmaaktheid en omstrengeling.

Het was misschien allemaal nog goedgekomen als in de tweede regel de zwaan in haar slaap was doodgevroren.