Grondwet moet basis van rechtsorde zijn

Historicus Bank betoogde op de opiniepagina van 20 december dat de Grondwet een nationaal bindmiddel moet zijn. Doch alleen wanneer de Grondwet wordt opgewaardeerd tot grondslag van onze rechtsorde, zal hij een belangrijke pijler worden in het Nederlandse identiteitsbesef, meent S.W. Couwenberg.

De constructie van onze Nederlandse identiteit is om twee redenen bouwvallig geworden: door voortgaande uitholling van onze nationale soevereiniteit door Europese integratie en door de verabsolutering van de multiculturele samenleving. Historicus Jan Bank stelde op de opiniepagina van 20 december de vraag aan de orde hoe de Nederlandse identiteit voor verder verval kan worden behoed. Het antwoord daarop zoekt Bank in het cultiveren van onze Grondwet als nationaal bindmiddel – in zoiets als grondwetspatriottisme in de geest van de Duitse filosoof J. Habermas, waardoor de grondwet veel meer wordt dan een zaak van alleen juristen.

Bank stelt het Amerikaanse grondwetspatriottisme ten voorbeeld maar ziet over het hoofd dat de Grondwet in Amerika vanouds een veel grotere nationale betekenis heeft als constitutionele expressie van een gemeenschappelijk geloof in Amerika als `Gods own country'. En in het naoorlogse Duitsland waar Bank ook naar verwijst is de Grondwet als reactie op de Weimarrepubliek opgewaardeerd tot gemeenschappelijke geestelijk-zedelijke grondslag en als zodanig verankerd in een liberaal-democratische basisorde als onaantastbare kern ervan. In beide landen is de Grondwet tegen aantasting ervan door de wetgever ook beschermd door rechterlijke toetsing.

In Nederland is van dit alles geen sprake. Het gros van de bevolking heeft nauwelijks enige emotionele binding met de Grondwet. Zelfs de gemiddelde jurist is er alleen in geïnteresseerd als hij er in een zaak mee scoren kan. Tekenend in dit verband is ook dat de juridische tak van uitgeverij Kluwer de Grondwet vorig jaar rubriceerde onder bestuursrechtelijke wetgeving. Niet minder opvallend is het dat het pleidooi van Bank tot nu toe geen enkele reactie heeft uitgelokt.

Dat onze Grondwet niet gezien en beleefd wordt als grondslag en inspiratiebron van onze rechtsorde en samenleving, heeft onder meer te maken met de gangbare pragmatische en positivistische rechtsbeoefening. Dat zij als zodanig zo weinig leeft onder de bevolking, is grotendeels te wijten aan het feit dat men het in dit land in tegenstelling tot Duitsland en Amerika niet nodig vindt de ontwikkeling van een democratisch burgerschap te ondersteunen met algemene burgerschapsvorming.

In de jaren '60 is daartoe als uitvloeisel van de toenmalige democratiseringsbeweging wel een poging gedaan. Maar die is mislukt. Onder invloed van linkse opvattingen raakte het begrip burgerschap spoedig zelfs in het verdomhoekje als steunpilaar van het kapitalisme. In de jaren '90 is in de literatuur een poging gedaan tot rehabilitatie van dat burgerschap als publiek ambt. Maar dat heeft geen enkel praktisch-politiek effect gehad.

De Nederlandse politiek ontbreekt het ten enen male aan een consistente visie op betekenis en inhoud van onze grondwet. Hoe treurig het gesteld is met de wijze waarop wij met de Grondwet omgaan, is opnieuw in het licht gesteld in een vorig jaar verschenen publicatie van de Staatsrechtkring over recente voorstellen tot grondwetsherziening (in de periode 1997 tot 2000). Het ontbreekt de regering kennelijk ook aan juristen die geverseerd zijn in staatsrecht en zijn historie, constateert de Nijmeegse staatsrechtgeleerde C. Kortmann. Over de rol en inbreng van de Raad van State en het parlement bij grondwetsherziening wordt eveneens de staf gebroken.

Ondanks het feit dat sinds de jaren '60 naarstig gewerkt is aan een nieuwe Grondwet met de Grondwet van 1983 als resultaat, hebben we nog steeds geen grondwet die een betrouwbaar beeld geeft van de grondslagen en inrichting van Nederland als staatsnatie. Pleidooien in de jaren '60 om die grondslagen in een preambule kort en inspirerend samen te vatten, vonden geen enkele weerklank. Over cruciale constitutionele aspecten zoals de vertrouwensregel – grondslag van ons parlementaire stelsel –, de kabinetsformatie en de staatsrechtelijke positie en functie van onze politieke partijen vindt men niets in de Grondwet. We combineren probleemloos het beginsel van het vrije mandaat – leden van de Staten Generaal stemmen zonder last – met een rigide fractiediscipline.

Gelet op het aantal grondwetsartikelen dat aan ons koningsschap wordt gewijd zou een naïeve buitenstaander de indruk kunnen krijgen dat ons staatkundig leven draait om dat koningsschap, tekenen de Utrechtse staatsrechtgeleerden Kummeling en Zwart hierbij aan. Mede met het oog op de Europese integratie bepleiten zij dan ook een integrale herziening van onze Grondwet. Voor een levende Grondwet is rechterlijke toetsing uiteraard van vitaal belang. Maar de Nederlandse politiek heeft dat tot nu toe steeds tegengehouden. Dat heeft mede bijgedragen tot de marginale betekenis van onze Grondwet in het Nederlandse identiteitsbesef.

Dit alles neemt niet weg dat ik het pleidooi van Bank voor onze Grondwet als nationaal bindmiddel van harte toejuich, al zie ik de normen en waarden die eraan ten grondslag niet als tijdloos en bovenaards als Bank. Dat is mijns inziens onverenigbaar met het historische karakter van de menselijke bestaanswijze. Wel blijf ik aan taal en geschiedenis en daarin geworteld erfgoed eveneens waarde hechten als nationaal bindmiddel.

Wil onze Grondwet een belangrijke pijler worden in het Nederlandse identiteitsbesef, dan zullen we de Grondwet moeten opwaarderen tot principieel méér dan nu het geval is, te weten tot grondslag en inspiratiebron van onze rechtsorde en samenleving. Dit vereist wel een cultuuromslag in de Nederlandse politiek en rechtsbeoefening. En de Nederlandse politiek zal eindelijk ook haar verzet tegen rechterlijke toetsing van wetgeving aan de Grondwet moeten opgeven, zoals nu in het verkiezingsprogramma van de VVD wordt voorgesteld.

Met de voortgang van de Europese integratie groeit ook de behoefte aan een Europees identiteitsbesef. Bij ontstentenis van etnisch-culturele bindmiddelen kan dat besef hier hoofdzakelijk tot uitdrukking komen in een Europees grondwetspatriottisme. Vandaar het grote belang van een Europese grondwet als expressie van wat ons als Europese burgers in wording met elkaar verbindt: een Europees waardenbesef dat in Europese mensenrechtenverdragen juridisch al ten dele verankerd is. In een Europese grondwet die uiteraard een democratische geest dient te ademen, zal het nader gestalte moeten krijgen met het oog op de ontwikkeling van een Europees identiteitsbesef.

In een Europees perspectief blijft daarnaast nog wel plaats voor een Nederlands grondwetspatriottisme, maar dan wel als nationale variant van wat ons als burgers op Europees niveau samenbindt.

S.W. Couwenberg is directeur-hoofdredacteur van Civis Mundi en oud-hoogleraar Staats- en Bestuursrecht.

Zie voor artikel Jan Bank www.nrc.nl