Slechte smaak

Naast de liefde, de bomen, de zee en de muziek zijn er ook andere zegeningen, die minder voor de hand liggen. Zij zijn nederiger, ja, er wordt zelfs een beetje op neergekeken. Ik noem maar wat: patat met mayonaise. Vreemde mannen zoenen. Veel geld.

In deze categorie valt ook de slechte smaak. Wansmaak en zijn malle broertje, kitsch, zijn overal. En wat hebben zij vaak, om met de dichteres Alice Nahon te spreken, een winterziel/Met lenteblaân begroend/En vaak een groot verlies vergoed/En menig over-trots gemoed/Stil met zichzelf verzoend. Mevrouw Nahon had het eigenlijk over M'n kleine goede daad; haar gedichtje is lang geleden door een héél lief iemand in mijn poëzie-album gezet, dus u houdt uw commentaar voor u. We zouden het hebben over de wansmaak.

Een groot verlies vergoed, of in ieder geval verzacht. Bij begrafenissen bijvoorbeeld, die halve revues worden waarbij Ome Piet met smartlappenmuziek wordt betreurd. De geliefde dode wordt toegesproken als de grootste moppentapper van het café, en omringd door als elfjes verklede kleinkinderen, kortom, kitsch viert hoogtij. Op Don Quichotteske wijze zette Désanne van Brederode zich een poosje geleden in deze krant aan een betoog tegen dit soort moderne begrafenissen – hoe dom! Als mensen troost putten uit rituelen die u en ik niet smaakvol vinden, moet daartegen dan worden opgetreden? Moeten de rouwers nog ongelukkiger worden? Welnu, dan gaan we ook glashard kledingvoorschriften invoeren in historische binnensteden. We verbieden snorren, zichtbare piercings, André Hazes én knakworstjes.

Of neem Bob Ross. Niets is geruststellender dan te kijken hoe die Amerikaanse pluizenbol voor de tv-camera, zacht prevelend, een schilderij maakt. Probeer het maar gewoon, doceert hij, kijk, een boom hier, nog een paar stenen in de beek, wat omber op de kwast, ziet u, het is zo eenvoudig. Mooi hè? Onder zijn handen groeit een voorstelling van onvoorstelbare lelijkheid: glad, geroutineerd. ,,Je zou het moeten verbieden'', zegt een bevriende kunsthistoricus bozig. Maar woede is misplaatst. De helft van de mensheid vindt het mooi, en zij die beter weten, worden hooguit gesterkt in hun tevredenheid met zichzelf.

Onlangs overleed de beroemde fotograaf Paul Huf. Een interessant geval. Huf heeft heel veel goeds gedaan voor de fotografie, en alleen al met zijn status van beroemdheid bijgedragen tot het aanzien van het vak. Hij heeft zich ingezet voor fotocollecties en festivals. De onmiskenbare vulgariteit van zijn eigen foto's heeft daarbij geen kwaad gedaan, ik denk eerder het tegendeel. Dat de directie van het Rijksmuseum bij het opsommen van zijn grote verdiensten in de overlijdensadvertentie niet zegt dat hij een goede fotograaf was – dat valt haast niemand op.

Minstens zo interessant is het geval van Anton Pieck, een groot tekenaar die zijn tijd tegen had. Zijn populariteit bij gewone mensen, zijn werk voor de Efteling en op verjaardagskalenders verergerden het stigma van oubolligheid. Wat hij maakte wàs ook op het randje van kitsch, en vaak er overheen. Maar zo nu en dan ontdekt iemand (vorige maand bijvoorbeeld in het keurige monumentenblad Heemschut) dat Pieck ook verdiensten had, al was het maar door het aanmoedigen van liefde voor het oude, licht-vervallene. En dan is iedereen helemáál blij.

De wansmaak is lankmoedig, de wansmaak is geduldig, hij is niet afgunstig, de wansmaak is niet opgeblazen. En dat kun je lang niet altijd zeggen over de goede smaak – of degenen die hem hoog in het vaandel dragen.