Nieuwe avonturen in de filmjungle

Vanavond wordt het 31ste International Film Festival Rotterdam geopend met een Iraanse film en een nagelaten korte film van Johan van der Keuken.

,,Zoals alle kunst die ertoe doet, verwijzen de schilderijen van Co Westerik alleen maar naar zichzelf'', beweert dichter Rutger Kopland in Ik wil het niet zien, maar het moet, een schitterende film van Jan Wouter van Reijen over het werk van Westerik. Een paar uitspraken van Kopland vormen het enige proza dat te horen valt in de bloedmooie `documentaire', die op het International Film Festival Rotterdam (IFFR) in première gaat. Van Reijen richt de camera lang op de schilderijen, laat vijf dichters gedichten maken over het werk, en associeert verder via muziek van Paul Prenen en abstracte beelden die improviseren op Westeriks thema's. Er komen bijna alleen close-ups voor in deze gewaagde film, die niets uitlegt en kunst maakt over kunst. Zo nodigt Van Reijen de kijker uit tot eigen associaties: bijvoorbeeld dat de kunstcritici die in 1951 Westeriks bekroning met de Jacob Marisprijs hoonden, te vergelijken zijn met de commissieleden van het Filmfonds die Ik wil het niet zien, maar het moet tot tweemaal toe subsidie weigerden.

Gezegend is de filmcultuur van een land waar elf dagen per jaar een publiek van honderdduizenden vecht om kaartjes voor filmkunst die ertoe doet. Daarmee logenstraft het Rotterdamse festival de drogredenen van bewindslieden, omroepdramaturgen, subsidieverstrekkers, docenten en ambtenaren die menen te weten wat het publiek wil: eenduidigheid, vermaak en in simpele scenariostructuren opgebouwde, verhalende cinema. Er blijkt wel degelijk een avontuurlijk filmpubliek te bestaan dat andere soorten films wil zien, ook als het niet moet van een docent filmeducatie.

Voor het eerst ondernemen festivaldirecteuren Simon Field en Sandra den Hamer een moedige poging om hardop te zoeken naar de gemeenschappelijke noemer van de in vele richtingen uitwaaierende programmering. Onder het motto `Exploding cinema' presenteert Rotterdam al jaren de brokstukken van de filmtraditie die opduiken in musea, op het internet, in videoclips, in computerspelletjes. Het werd tijd een beetje te vegen en te ordenen wat dagelijks op een vaste tijd gebeurt in het onderdeel `What (Is) Cinema?', waar filmmakers en deskundigen kijken naar de overeenkomsten tussen de cinema in ontwikkelingslanden, de digitale revolutie, de nieuwe Aziatische cinema, ontwikkelingen op televisie en de meer traditionele filmauteurs. Niet alleen kan zo misschien vastgesteld worden wat het verschil is tussen bewegende beelden tout court en cinema, maar ook presenteert deze selectie een fraaie dwarsdoorsnede van het programma, een soort aanbevolen route door de jungle van films.

Nieuw is de terugkeer van de politieke film, in de jaren zeventig een belangrijk festivalonderdeel. De nieuwe programmeur Peter van Hoof zet met een interessante selectie van geëngageerde films voort wat hij, al ver voor 11 september 2001, in De Balie in Amsterdam begonnen was. Een festival als Rotterdam heeft altijd gelaveerd tussen engagement en `l'art pour l'art'. Op een persconferentie prees Field zijn openingsfilm, Delbaran van de Iraanse regisseur Abolfazl Jalili, om zijn politieke boodschap. Je kunt in dit verhaal op de grens met Afghanistan natuurlijk een aanklacht tegen oorlog herkennen, maar ik zag vooral intrigerende beelden: een gestileerde, gesluierde pin-up in een Iraanse vrachtwagen, een brommer die een andere brommer voortsleept, het met de mond starten van een auto.

De allereerste film van het festival, voorafgaand aan Delbaran, is de allerlaatste van Johan van der Keuken. Twee maanden voor zijn dood nam Van der Keuken de montage van de korte film Onvoltooid tegenwoordig door met zijn editor Menno Boerema, die de verhalen van vrienden en familieleden van de filmer, over leven en dood, tot een prachtige visuele mini-symfonie monteerde. Een computerfoutje maakte dat al het beeld even verloren leek, maar het montageschema bleek ook met andere beelden te werken.

Gelukkig werd het originele beeldmateriaal gereconstrueerd, maar volgens Boerema kun je nu van elk materiaal een Van der Keuken-film maken. Dat is een bewijs voor het bestaan van filmauteurs, en een aangename relativering van het belang van de inhoud van films. Bij filmkunst die ertoe doet, gaat het minder om wat je beweert dan om hoe je dat beweert.