Montesinos' schuld lang bij VS bekend

De Verenigde Staten hebben de samenwerking met Vladimiro Montesinos, de voormalige Peruaanse spionnenchef, ondanks informatie waaruit zijn verantwoordelijkheid voor een doodseskader bleek, gewoon voortgezet.

Dat blijkt uit gisteren vrijgegeven documenten. Het materiaal, oorspronkelijk afkomstig van de Amerikaanse ambassade in Lima en vrijgegeven onder de Amerikaanse wet tot openbaarheid door het National Security Archive in Washington, laat zien hoe een Peruaanse officier in 1993 bereid was te getuigen over Montesinos' aandeel in een moordpartij.

De officier, die zei betrokken te zijn geweest bij een van die doodseskaders, was bereid een verklaring af te leggen waaruit de instemmingen van Montesinos met de doodseskaders zou blijken. Dat verzoek werd niet gehonoreerd omdat de Verenigde Staten naar verluidt hun hechte samenwerking met Montesinos in de bestrijding van de handel in drugs niet wilden verspelen.

De gisteren vrijgegeven informatie zal mogelijk opnieuw commotie veroorzaken onder Peruaanse en Amerikaanse politici die van mening zijn dat Washington meer had moeten ondernemen om Peru te beschermen tegen Montesinos. De voormalige rechterhand van president Alberto Fujimori zit sinds de val van de president in november 2000 vast in een Peruaanse cel. Daar wacht hij zijn proces af over aanklachten aangaande corruptie, wapen- en drugssmokkel, en zijn directe verantwoordelijk voor een doodseskader. Fujimori zelf is uitgeweken naar Japan.

Het is al langer bekend dat de Verenigde Staten willens en wetens financiële steun aan Montesinos zijn blijven geven, 1 miljoen gulden per jaar voor de duur van tien jaar. Maar tot op heden bestonden er nog geen concrete aanwijzingen dat Washington informatie over de verantwoordelijken voor de doodseskaders bewust heeft genegeerd.

Volgens de Peruaanse autoriteiten is een groep bestaande uit leden van de militaire inlichtingdienst, Colina geheten, verantwoordelijk geweest voor verschillende moordpartijen onder de vermeende aanhang van de maoïstische rebellen van het Lichtend Pad. Zo zouden zij in 1991 vijftien mensen hebben vermoord. Een jaar later schoten zij negen studenten en een hoogleraar van de La Cantuta Universiteit dood.

In een document uit 1993, afkomstig van de Amerikaanse ambassade in Lima, staat dat ,,een legerofficier, betrokken bij de moorden, bereid [is] naar buiten te treden.'' De toenmalige tweede man op de ambassade en auteur van het memo, ene Charles Brayshaw, vervolgt dat ,,wanneer we de officier steunen, de bilaterale betrekkingen [tussen Peru en de VS] in belangrijke mate kunnen verzuren''. Maar, aldus Brayshaw, ,,het zou onze doelstellingen op het gebied van de rechten van de mens zeer van dienst zijn.'' Tenslotte vraagt Brayshaw Washington om advies.

Of dat er uiteindelijk kwam is niet bekend, maar zeker is dat de ambtenaren in kwestie besloten de zaak te negeren.

documenten: www.Gwu.Edu/nsarchiv/