`Faillissementen door starheid bank'

Tweederde van de faillissementen in 2001 had voorkomen kunnen worden als met name banken zich wat coöperatiever hadden opgesteld.

Voor het eerst sinds 1993 is het aantal faillissementen weer gestegen tot 3.449 in 2000. In het eerste halfjaar van 2001 bedroeg het aantal faillissementen ogeveer 2.700. Dat blijkt uit de Ondernemerschapsmonitor die staatssecretaris Ybema (Economische Zaken) gisteren naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.

Het merendeel van de ondervraagde ondernemers vindt dat het faillissement niet zozeer aan het eigen falen te wijten is, maar legt de schuld bij derden. De inzet van de curator in het faillissementsproces wordt overwegend positief beoordeeld. Over de rol van de bank zijn de ondernemers echter niet zo tevreden. De inzet van de bank liet volgens hen te wensen over, of de bank wilde niet meewerken aan een doorstart van het bedrijf.

Ondanks de twee jaar geleden voorgestelde wijziging van de Faillissementswet is er door weinig bedrijven gebruik gemaakt van de surseance van betaling, een soort `rustperiode' die het bedrijf kan helpen niet failliet te gaan. Ook blijkt uit de steekproef dat in meer dan de helft van de gevallen de ondernemer zelf het faillissement aanvroeg en dus niet de leveranciers, banken, pensienfondsen of sociale zekerheidsinstellingen.

Ybema onderkent dat de resultaten van de (beperkte) steekproef niet representatief zijn, maar wil de `indicaties' wel gebruiken om de herziening van de Failissementswet door te zetten. Economische Zaken wil daarin bijvoorbeeld de surseance zo aanpassen, dat ondernemers meer kans hebben hun bedrijf te saneren en daarbij de schuldeisers toch een redelijke oplossing te bieden. Nu `misbruiken' veel ondernemers een faillissement om van schuldeisers af te komen en goedkoop een doorstart te maken.