Een gedenkplaat op pishoogte

Het Tjechische Nymburk diende in 1980 als decor voor het verhaal `Het stadje waar de tijd stil bleef staan'. Ook nu lijkt er weinig veranderd. Een slapend provinciestadje met 15.000 inwoners, vijftig kilometer ten oosten van Praag. Nieuw is hooguit de pinautomaat en de Vietnamese marktkoopman die plastic schoenen en polyester sportkleding verkoopt.

In het streekmuseum is een permanente expositie aan de schrijver Bohumil Hrabal gewijd. Op de voordeur is een kleine affiche met foto van hem bevestigd. Directeur Frantisek Sykora: ,,We hebben in 1998 op initiatief van de burgemeester drie ruimten aan Hrabal gewijd. De ene helft van de Tsjechen houdt van hem, de andere helft vindt hem vulgair. Hoewel hij uit een burgerlijk milieu kwam en rechten had gestudeerd, leefde hij het liefst tussen eenvoudige mensen. Tijdens het communistische regime gaf hij de mensen hoop.''

In het oog springt een foto uit 1994, genomen in het Praagse café U Zlateho Tigra: Hrabal schudt voor president Vaclav Havel langs de hand van Clinton. Op de vroegere werktafel van Hrabal staan naast een schrijfmachine uit de jaren zestig (merk Consul) ook een flesje bier, Old Spice en aspirines. In een kast liggen gebreide wollen manchetten, polswarmers, die Hrabal omdeed als hij 's winters in zijn onverwarmde buitenhuisje werkte. In een van de ruimten is een kroeg geënsceneerd zoals hij die placht te bezoeken; het café was zijn tweede huis.

Hrabal (1914-1997) kwam in 1919 met zijn ouders naar Nymburk. Met Frantisek Sykora en Herr Rhouda (gepensioneerd leraar Duits die voor mij tolkt) loop ik naar een brouwerij aan de rand van het stadje, waar zijn vader procuratiehouder was. Aan de voorkant staat een rijtje huizen, het decor van Hrabals jeugd. Een moutmeester leidt ons rond.

Als we langs de gevel van de brouwerij lopen, is er op nog geen 20 centimeter hoogte een plaquette met jaartallen en een citaat van Hrabal: ,,Ik wil geen gedenkplaat, maar als het dan toch moet, dan hooguit een op kniehoogte zodat de honden er tegen kunnen pissen.''

Terug bij het museum stappen we in een vaalbruine Skoda en rijden door uitgestrekte velden. In het dorpje Sadska staat op een hoek een vervallen café. Hier vertelde een kelner aan Hrabal de Engelse koning te hebben bediend. Hrabal werkte dat om tot een novelle.

Bij een klein, ommuurd kerkhof aan de rand van een bos wordt het toegangshek dichtgehouden door een gebroken gietijzeren kruis. Hrabal's graf bestaat uit een zuil met een uitgeboord gat. Sykora: ,,Die symboliseert de tunnel die je moet nemen tussen leven en dood. Hrabal verplaatste zijn familiegraf hierheen, weg uit het stadje, omdat hij boos was op het communistische stadsbestuur. Dat had hem – omdat hij geen partijlid was – buiten alle feestelijkheden gehouden toen Nymburk 700 jaar bestond.''

We rijden door kleine gehuchten, de wegen omzoomd door appelbomen. In Kersko, een dorpje in een bos, staan weekendhuisjes van de Praagse middenklasse. Bij een bushalte rijdt Sykora een onverharde weg op, waar zich het zomerhuisje bevindt dat Hrabal in 1965 kocht: grijze gevels, groen geverfd houtwerk en een balkon voor zijn werkkamer. We praten met buurman Zdenek Elias – dertig jaar lang bevriend met de schrijver – onder een gestreepte partytent. Hij vertelt dat Hrabal van het vlakke land rond Kersko hield: ,,Ik was eens in Nederland op vakantie en vertelde hem dat het een beetje op deze omgeving leek. Toen hij later zelf Holland bezocht, vond hij het geordende en vlakke land prachtig – het land van de 21ste eeuw!''

Buurman Elias biedt ons een glas wijn aan en vertelt: ,,Ik zat in dienst, het was 1965. Mijn moeder schreef dat we een nieuwe buurman hadden gekregen, een schrijver. Ik had nog nooit van Hrabal gehoord. We leerden hem gauw kennen, hij was niet moeilijk in de omgang. Maar als hij een idee had voor een verhaal, werkte hij dagen aan een stuk. `Ik heb de koning van Engeland gediend' bijvoorbeeld heeft hij in nog geen week geschreven. Er kwamen dagelijks lezers en journalisten langs. Hij vond het verschrikkelijk dat hij niet meer rustig in zijn moestuintje kon werken. 's Zomers was hij hier permanent, in de winter kwam hij met de bus uit Praag. Als de katten de bus hoorden – ze wisten precies hoe laat hij kwam – liepen ze naar de halte, waaronder Orange en Pommeranz.''

Maar ook Cassius Clay, zo schreef Hrabal: ,,Hij die weet dat ik alleen hem op mijn arm neem, alleen aan hem snuffel ik wel eens en ik verberg mijn gezicht in zijn ruige vachtje en vraag hem of hij aan mijn kant wil staan, zodat me niets zal gebeuren.''

Op 3 februari 1997 stierf Hrabal na een val uit het raam op de vijfde verdieping van een Praags ziekenhuis. Het zou zijn evenwicht verloren hebben tijdens het voeren van duiven.

Elias: ,,Onzin. We wisten dat hij zo zou sterven.'' Hrabal had het zijn vrienden al aangekondigd, en ook geschreven: ,,Zo vaak had ik van de vijfde verdieping willen springen (...) omdat ik mijn Pipsi zo langzaam had zien sterven.''

De novelle `Tedere Barbaar' is een hommage aan een van zijn vrienden, maar de titel had beter kunnen dienen als zelftypering. Samen met zijn wens van een gedenkplaat op pishoogte is dat Hrabal ten voeten uit.

Deze maand verschijnt bij Bert Bakker de verhalenbundel `De Toverfluit' met enkele niet eerder vertaalde verhalen van Hrabal.