Uitlevering alleen met betere garanties

De uitlevering van een dj uit Zwolle en zijn kennis aan de VS is geschied op discutabele gronden. En minister Korthals had de garantie moeten afdwingen dat het uitleveringsverdrag door de VS wordt nageleefd, meent Bart Stapert.

Na een langdurige juridische strijd werden vrijdag een dj uit Zwolle en zijn kennis uitgeleverd aan de Amerikaanse autoriteiten. Zij zullen voor een federale rechtbank in de staat New York terechtstaan op verdenking van xtc-smokkel. Enkele andere Nederlanders wacht eenzelfde lot voor vergelijkbare aanklachten. Daarnaast is het aannemelijk dat in de strijd tegen terrorisme het aantal uitleveringen ook voor andere delicten zal toenemen, bijvoorbeeld onder het onlangs vastgestelde Europese arrestatiebevel.

Uitlevering van Nederlanders zonder harde garanties voor hun rechtsbescherming druist in tegen fundamentele Nederlandse rechtsnormen. Die garanties zijn: beperking of aanpassing van de op te leggen strafmaat en de mogelijkheid tot het uitzitten van de straf in Nederland. Uitleveringen zonder deze garanties zouden niet moeten plaatsvinden.

Volgens de Uitleveringswet is het aan de minister van Justitie om af te wegen of er voldoende waarborg bestaat dat een Nederlandse onderdaan na veroordeling zijn straf in het thuisland mag uitzitten. In de nota waarin de afspraken tussen de VS en Nederland worden geregeld, staat dat de Amerikanen hiertegen in principe geen bezwaar hebben.

Minister Korthals vond dit voldoende waarborg om beide verdachten op het vliegtuig te zetten. Zowel de Hoge Raad als de Haagse rechtbankpresident oordeelden dat hij daarmee binnen de wet opereerde. Dit lijkt een wat kortzichtige benadering die volledig voorbij gaat aan het politiek belang dat de Amerikanen hechten aan de strijd tegen drugs.

Politiek gezien is het namelijk zeer de vraag of de Amerikanen, die ernstig bezorgd zijn over de toenemende import van xtc uit Europa en vooral uit Nederland, een vermeende leider van een grote drugsoperatie zonder pardon terug zullen sturen naar Nederland om hier een ook nog eens een aangepaste straf uit te laten zitten.

Korthals had vooraf sterkere garanties moeten afdwingen. Nu wordt de verantwoordelijkheid voor de handhaving van het uitleveringsverdrag in wezen gelegd bij de verdachte en diens advocaat. Want zij moeten, in geval van weigering tot teruglevering, opnieuw een procedure beginnen.

De Nederlandse overheid stelt in het algemeen wel enige eisen voor de kwaliteit van het proces en de rechtsbescherming van de verdachte. Voor Europese landen wordt het niveau van bescherming meestal getoetst aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden. Landen buiten Europa kijken ook naar het naleven van internationale verdragen.

Nederland zou bij uitlevering het rechtssysteem in het verzoekende land veel meer inhoudelijk moeten toetsen aan fundamentele normen die hier gelden. Leidraad moet zijn de vraag of een verdachte in het land van uitlevering eenzelfde rechtsbescherming zou hebben als wanneer hij in Nederland zou worden berecht. In de onderhandelingen over uitleveringen behoort de Nederlandse overheid garanties van rechtsbescherming te bedingen.

De Zwolse dj is uitgeleverd voor strafbare feiten die in Nederland werden begaan en waren onderzocht door Amerikaanse opsporingsfunctionarissen. De Nederlandse politie lijkt, los van de eigenlijke arrestatie, niet betrokken te zijn geweest bij het onderzoek. Dat lijkt ook het geval te zijn in de aanklacht tegen een inwoner van Amsterdam, wiens uitlevering nog aanhangig is bij de Hoge Raad. In beide gevallen zijn wellicht Federale Amerikaanse agenten deden zich voor als drugsgebruiker of -handelaar en waren actief betrokken bij de transacties, een techniek die in Nederland, zeker na de IRT-affaire, als uitlokking wordt bestempeld en niet toelaatbaar is.

In de VS is het mogelijk dat een verdachte op basis van slechts één getuigenverklaring wordt veroordeeld. In Nederland kan dat niet. Daarnaast worden in Amerika in drugszaken ook kroongetuigen gehoord. De jury moet daarbij dan een inschatting maken van de betrouwbaarheid van de getuige. Professionele getuigen zoals politiemensen en deskundigen, maar soms ook de kroongetuigen, hebben speciale training en veel ervaring in het maken van een betrouwbare indruk.

Daartegenover staat dan veelal alleen de getuigenis van de verdachte, waaraan juist in de VS vaak erg weinig geloofwaardigheid wordt gehecht.

Het zou dus heel goed kunnen dat een veroordeling volgt louter op basis van de getuigenis van een kroongetuige of een politieagent die bij zijn onderzoek ook nog eens methoden heeft gebruikt die in ons rechtsstelsel niet toelaatbaar zijn. De problemen stapelen zich daarmee alleen maar op.

Een extra probleem is de kwaliteit van de rechtsbijstand die de verdachte in het land van uitlevering zal ontvangen. Hiervoor zouden aparte garanties moeten worden bedongen. Zelfs in de VS, het land met de meeste advocaten per hoofd van de bevolking, is de kwaliteit van de toegevoegde advocaten vaak zeer zorgwekkend. Dit komt natuurlijk het meest naar voren in doodstrafzaken, waar voorbeelden van slapende en dronken advocaten recentelijk in het nieuws kwamen.

Maar er is reden om juist óók voor minder ernstige delicten te twijfelen aan de rechtsbijstand. Zogeheten public defenders hebben veelal een enorme stapel zaken tegelijk onder handen. Ze zijn zwaar overwerkt. Voor contact met de cliënt en onderzoek in de zaak hebben zij doorgaans maar zeer beperkt tijd, terwijl dit eigen onderzoek door advocaten juist in de VS van het allergrootste belang is.

Hun werk is veelal meer gericht op het uitwerken van een plea bargain – een regeling met het openbaar ministerie – dan op het voeren van een sterk inhoudelijk verweer. Nederland zou, zoals Duitsland dit in ieder geval doet in doodstrafzaken van haar onderdanen, zelf de rechtsbijstand kunnen financieren. Maar als deze maatregel te drastisch of te duur wordt bevonden, zouden er op zijn minst garanties moeten bestaan dat de uitgeleverde Nederlandse onderdaan een goede advocaat krijgt toegewezen.

Het is bekend dat de war on drugs en de war on terrorism sterke rechtsprincipes doen verdampen. De buitenproportionele ophef over de bolletjesslikkers op Schiphol en de door het kabinet voorgestelde maatregelen daartegen zijn daarvan in Nederland het jongste voorbeeld. In landen om ons heen, zoals Engeland, zijn door anti-terrorismemaatregelen tientallen mensen zonder aanklacht en vorm van proces vastgezet.

In dit internationale politieke klimaat behoort de Nederlandse overheid niettemin garanties te verwerven dat oorlogen tegen ongewenste maatschappelijke verschijnselen niet uitmonden in een nederlaag voor de fundamenten van onze rechtsstaat.

Dr. B. Stapert werkte jaren als advocaat in de VS en is momenteel als onderzoeker verbonden aan het Willem Pompe Instituut van de Universiteit Utrecht.

zal zeker te

wensen overlaten