Ontmoetingsplek voor kunst

Het Palais de Tokyo in Parijs zoekt al jaren een richting en probeert het nu als een laboratorium en werkplaats. Het wil de confrontatie tussen kunst en publiek tot stand brengen en is tot laat in de avond geopend.

De Franse premier Lionel Jospin heeft gisteren het Palais de Tokyo, site de création contemporaine geopend. Dat gebeurde een week later dan beoogd, omdat zijn agenda zijn komst naar het `enige museum ter wereld dat tot middernacht geopend is' niet eerder toestond. Naar verluidt had de premier, waarschijnlijk presidentskandidaat, erop gestaan de opening zelf te verrichten, omdat het een mooie kans was om ook kunstminnende zielen voor zich te winnen, bij voorbeeld door te wijzen op de verhoging, door zijn regering, van het kunstbudget tot 1 procent van het nationaal inkomen, na jaren van inkrimping door voorgaande `rechtse' regeringen. Het was inderdaad precies waarop Jospin wees, maar of de gelegenheid de goede was, valt te betwijfelen, want weinig aanwezigen luisterden naar zijn toespraak en velen liepen roezemoezend rond.

Dat gebrek aan ontzag past bij de onconventionele ambities van het voor de zoveelste keer van richting en inrichting veranderde, `nieuwe' Palais de Tokyo, gelegen aan de Avenue du Président-Wilson. In de wat moeizame ondertitel, `plaats van hedendaagse schepping', gaat het verschil schuil met het ernaast gelegen Museum van Moderne Kunst van de stad Parijs en met het Centre Pompidou, het nationale museum voor moderne kunst, dat juist de functie van de nu heropende vleugel van het Palais in 1977 overnam.

De `site', een idee en initiatief van de vorige minister van Cultuur, Catherine Trautmann, is niet zozeer museum alswel laboratorium en werkplaats. Programmering en organisatie wijken af van die van het gangbare museum, en niet alleen wat betreft de openingstijden. Deze week opende overigens ook Le Plateau, een gelijksoortig, particulier en kleinschaliger kunstenaarswerkplaats in de Parijse wijk Belleville.

Het Palais gaat, onder leiding van directeuren Nicolas Bourriaud (36) en Jérôme Sans (41), plaats bieden aan kunst- en cultuuruitingen in de breedste zin van het woord. Hun uitgangspunt, en ook dat van de architecten Anne Lacaton en Jean-Philippe Vassal, is het Djemaa el-Fna-plein in Marrakech geweest: een open ruimte, half-markt, half-ontmoetingsplek. Er zal beeldende kunst te zien zijn, uiteraard, maar ook dans, literatuur, performances, design, installaties, video-kunst, mode-shows. Er zullen debatten georganiseerd worden en colloquia, en ontmoetingen tussen publiek en kunstenaars. Voorzover dat laatste al georganiseerd moet worden, want constante `interactiviteit' tussen bezoekers en kunstenaars en kunstenaars onderling – en met name tussen Franse en buitenlandse kunstenaars – is één van de uitgangspunten. Kunstenaars gaan ter plaatse werken, terwijl het publiek rondloopt. Exposities of installaties zullen wisselend van duur zijn en worden `spontaan' ingericht of vervangen door nieuwe evenementen. Behalve `vrijheid' en `flexibiliteit' is het motto van de directie `ontmuring', dan wel afbraak van de hokjes in de kunsten.

De `inrichting' van de 8700 vierkante meter van de westelijke vleugel van het Palais weerspiegelt die ambitie ondubbelzinnig. Hun `esthetiek van de essentie' in ogenschouw nemend, vraag je je af waaraan de architecten hun budget van bijna 5 miljoen euro hebben uitgegeven. Het interieur van het Palais, midden jaren dertig gebouwd in pompeus neo-klassieke stijl, oogt nadrukkelijk als een bouwplaats. Muren – voorzover nog aanwezig dank zij de aspiraties een plein te creëren – en plafonds zijn ontdaan van ornamenten en maskerend pleisterwerk, op een enkele in het luchtledig hangend restant na. De vloeren zijn onafgewerkt, evenals het grof-aangesmeerde beton van de trappen, op een enkele bestaande, met marmer bekleed exemplaar na.

Het getuigt van een on-Franse aanpak: alle grandeur en glamour die de buitenkant belooft, wordt aan de binnenkant gelogenstraft. Het Palais, dat van de overheid bijna 2 miljoen euro per jaar ontvangt en van fondsen meer dan 1 miljoen euro, oogt nadrukkelijk als een krakershonk, waar alles kan en mag en waar iedereen altijd kan binnenlopen om te drinken, te kijken, te praten of zomaar wat rond te hangen. Het werk van een vijftigtal kunstenaars, onder wie Beat Streuli, Meschac Gaba, Mélik Ohanian, is er nu – misschien slechts deze week – te zien. De eerste week is het Palais gratis toegankelijk, voor een van uur tot uur met `ontmoetingen', `workshops' en door kunstenaars verzorgde theetafels gevuld programma.