Kweepeersambal

Vanaf het moment dat ik ongeveer vijftien jaar geleden voor de eerste keer in mijn leven kweepeerpasta at (in Frankrijk), was ik dol op de heerlijk zoete, guaveachtige smaak van deze vrucht.

Eenmaal thuis maakte ik meteen die kweepeerpasta, cotignac in het Frans. Sindsdien heb ik kweepeer in tal van verschillende gerechten verwerkt; in stoofschotels met bijvoorbeeld varkensvlees, als garnituur bij wildgerechten en onlangs in een taart met filodeeg met een paar verschillende soorten paddestoel. Maar in alle gevallen heb ik de kweepeer altijd gekookt en hem dan na, of tijdens het garen, met suiker op smaak gebracht. In elk kookboek of naslagwerk wordt geschreven dat kweepeer altijd gekookt moet worden omdat de vrucht zo buitengewoon hard en zuur is. Dat advies heb ik altijd trouw opgevolgd tot ik op een recept voor kweepeersambal stuitte in een van mijn favoriete kookboeken Encyclopedia of Asian Food van Charmaine Solomon. Ik werd zo nieuwsgierig dat ik dit simpele recept snel ging maken. Het resultaat vond ik heel bijzonder. Het is van oorsprong een Sri-Lankees recept en de sambal heeft een sterke, uitgesproken smaak, waardoor hij net als andere sambals het best in mini-porties op het bord kan worden geschept. Ik vind deze sambal lekker met een vette vissoort of doorregen varkensvlees of lams- of schapenvlees. Het zuur van de kweepeer biedt dan een perfect contrast met het vette voedsel.

Schil de kweepeer en verwijder het klokhuis. U zult ongeveer 350 gram vruchtvlees overhouden. Rasp het vruchtvlees fijn met behulp van een keukenmachine of een zuurbestendige, stevige rasp. (Ik raad echt aan om een keukenmachine te gebruiken als u er een hebt!) Doe het vruchtvlees in een kom en schep er het chilipoeder, het limoen- of citroensap en wat zout door. Proef en voeg desgewenst extra zout of limoensap toe. Schep vlak voor het serveren het gesnipperde sjalotje door de kweepeersambal.