Klever Kaff's kattebelletjes

Het nieuwe nummer van het Engelse literaire tijdschrift Granta is helemaal gewijd aan muziek: rap uit New Orleans, Noord-Engelse volksliedjes, traditionele Indiase zang en veel klassieke muziek. Tot de medewerkers behoren voor de hand liggende routiniers onder de muziekschrijvers. Nick Hornby voelt zich opnieuw geroepen de vluchtigheid van popmuziek te verdedigen en Greil Marcus buigt zich niet voor het eerst over de historische compilatie Anthology of American Folk Music. Veel frisser en aanstekelijker zijn de bijdragen van auteurs die alleen incidenteel over muziek schrijven.

De vreugde en vooral de frustraties van het zelf muziek maken, lopen als thema door het tijdschrift. Dit soort min of meer tijdloze persoonlijke ervaringen blijken zich het best te lenen voor een literaire benadering. Alan Rusbridger, de hoofdredacteur van The Guardian, schreef een vrolijk stuk over zijn lijdensweg als amateurpianist. Rond zijn vijftigste bekroop hem de onweerstaanbare neiging om een peperdure piano van Fazioli te kopen. ,,Het was echt de klassieke midlifecrisis – het kwam uit het niets, ik kon de greep die het op me had niet verklaren, en naderhand voelde ik me een beetje belachelijk.' Veel tijd om te spelen heeft hij niet: twintig minuten per dag, te weinig om goed te worden. Toch slaagt hij er niet om in zijn pianospel uitsluitend als hobby te beschouwen, zoals tennis. ,,Met tennis ben je tenminste niet bezig om een creatief meesterwerk te vermoorden.'

De romanschrijver Philip Henscher beschrijft hoe zijn obsessie voor muziek stap voor stap uit zijn leven verdween. Als tiener was hij een ambitieus componist, die voortdurend muziek aan het schrijven was: een symfonie, een opera, een strijkkwartet. Totdat het amateurorkest van zijn vader een van zijn stukken uitvoert, en hij erachter komt dat hij er niets van kan. Zijn conclusie: ,,The creativity of children, how unstoppable it is, and how bad.' Henscher verlegt zijn artistieke ambities dan maar naar zijn rol als luisteraar in de concertzaal. Het wordt een erezaak om, bij de meest vooruitstrevende muziek, precies te weten wanneer de laatste noten hebben geklonken, en als eerste te klappen.

De socioloog en voormalig cellist Richard Sennet beschrijft heel precies de fysieke sensaties van het bespelen van de cello. Hij rekent af met de mythe dat de ware musicus een spirituele hoogte bereikt en de fysieke beleving overstijgt. Juist door volledige concentratie op ,,hout, snaren en lichaam', schrijft Sennet, krijgt het publiek de indruk dat de musicus `in' de muziek is.

Het mooiste stuk in dit nummer van Granta is het liefdevolle portret van de beroemde alt Kathleen Ferrier door Ian Jack. Ferrier had negen jaar gewerkt als telefoniste en had al een ongelukkig huwelijk achter de rug, toen ze rond haar dertigste aan een zangcarrière begon. Met haar stem kon ze iedereen, ook zichzelf, tot tranen toe ontroeren, maar in het dagelijks leven had Ferrier een opgewekt karakter, en een voorliefde voor schuine limericks. Jack heeft bij zijn stuk een flink aantal brieven van Ferrier afgedrukt, kattebelletjes, die ze ondertekende met haar bijnaam `Kaff' of `Klever Kaff'. In maart 1951 schrijft Ferrier voor het eerst over een `bump on mi busto', de tumor waaraan ze tweeënhalf jaar later, 41 jaar oud, overleed.

Granta. The magazine of new writing, No. 76, `Music', 320 blz. €20.80.