Hulp is politiek

Na bommen en soldaten krijgen de Afghanen nu geld. Op een donorconferentie in Tokio heeft de internationale gemeenschap gisteren ruim vier miljard euro toegezegd. De betekenis van deze vier miljard over vijf jaar is voor het verwoeste land immens. De meest primaire indicatoren ontbreken. Elke euro is daarom een onberekenbaar veelvoud waard. Naar historische maatstaven is het eveneens een ongekend bedrag. Ter vergelijking: de acht nooddruftige landen in Zuidoost-Europa (Albanië, Bosnië-Herzegovina, Bulgarije, Hongarije, Joegoslavië, Kroatië, Macedonië, Moldavië, Roemenië, Slovenië en Turkije) werd bij de ondertekening van het Stabiliteitspact in 1999 bijna zes miljard euro beloofd. Nog unieker is de samenstelling van de donorlanden die Afghanistan financieel terzijde staan. Niet alleen de westerse industriële landen plus Japan hebben hun portemonnee getrokken voor een bedrag van 1,3 miljard euro, ook minder ontwikkelde staten doen een duit in het zakje. Zo heeft Iran 600 miljoen euro toegezegd, is Saoedi-Arabië bereid bijna 250 miljoen te fourneren en hebben India en Pakistan ieder voor ruim 100 miljoen ingetekend.

De twee dagen durende bijeenkomst in Tokio, opgezet als een veiling waar de deelnemers worden uitgelokt tegen elkaar op te bieden, is halverwege al een succes te noemen. De internationale gemeenschap is zich bewust dat terrorisme met geweld alleen niet is te verslaan. Een soort bestuurlijke infrastructuur is nu prioriteit. Zonder materiële bijstand lukt dat niet.

De samenstelling van de donorgroep illustreert echter dat de goedgevigheid niet alleen is ingegeven door mededogen. Macht speelt een rol. Hulp is ook politiek. De bijdrage van Iran en andere buurlanden of geestverwante islamitische staten heeft mede tot doel een eigen invloedssfeer tegen de dominante positie van de VS af te bakenen. De betekenis daarvan mag niet onderschat worden. Sinds Afghanistan is bevrijd van de Talibaan is de rust niet hersteld. Banditisme is schering en inslag. En in verschillende regio's is de machtsstrijd tussen etnische groepen en clans aan het oplaaien. In het noorden bijvoorbeeld worden schermutselingen gemeld tussen troepen van de Oezbeekse krijgsheer Dostoem, een man die zijn jasje steeds draait naar gelang het uitkomt, en de Tadzjiekse ex-president Rabbani, die een cliënt van Rusland is. Het is geen toeval dat Moskou nog niets heeft toegezegd. De Russische regering heeft vertrouwen in de effectiviteit van haar eigen humanitaire hulpkonvooien, waarin politieke en militaire adviseurs nadrukkelijk meeliften.

De miljarden die in Afghanistan worden gepompt, gaan ongetwijfeld een rol spelen bij de interne machtsstrijd die nog niet is gestreden. Elke clanleider die een vinger aan de kraan heeft, kan zijn positie versterken. Het is naïef te denken dat de donorlanden dit kunnen voorkomen. Het is hooguit mogelijk het geld zo door te sluizen dat er van enig evenwicht sprake blijft. Maar dat vergt een politieke en diplomatieke flexibiliteit die zich onderscheidt van de militaire doortastendheid die de oorlog tegen het terrorisme tot nu toe kenmerkt.