Hulp is noodzaak, geen garantie voor succes

Vrijwel geen conflict wordt tegenwoordig beslecht zonder `nazorg'. Donorconferenties zijn in zwang, maar een garantie op succes bieden ze niet.

Les één in de hedendaagse wederopbouw: smeedt het ijzer als het heet is. Want is een internationaal conflict eenmaal opgelost en zijn de tv-camera's vertrokken, dan verslapt gemakkelijk de aandacht en dus de kans op hulp. Hoe meer tijd verstrijkt na afloop van een conflict, des te moeilijker is het de internationale gemeenschap te overtuigen van de noodzaak om te helpen, zei directeur James Wolfensohn van de Wereldbank aan de vooravond van de speciale donorconferentie voor Afghanistan in Tokio.

De vrees dat het momentum verglijdt is niet ongegrond bij wereldwijd meer dan zestig grensoverschrijdende conflicten. Hij verklaart de betrekkelijke voortvarendheid waarmee donorlanden en hulporganisaties dezer dagen in de Japanse hoofdstad hun beurzen trekken: tezamen 4,5 miljard dollar. Aan toezeggingen, welteverstaan. Want dat is les twee: toezeggingen zijn nog geen uitbetalingen.

Daarover weten ze bijvoorbeeld op de Balkan mee te praten. Daar zetten na de Kosovo-oorlog in 1999 een dertigtal landen en een keur aan internationale organisaties en instellingen de schouders onder een grootscheeps herstelplan. Op papier is met dit Stabiliteitspact jaarlijks meer dan zes miljard euro gemoeid. De evaluatie die de eerste directeur, Bodo Hombach, na tweeënhalf jaar voor hoofdsponsor Duitsland maakte, lekte vorige week uit in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Aan toezeggingen en aan politieke wil, zo constateerde Hombach, was geen gebrek. Maar de bureaucratische tegenwerking, om niet te zeggen: obstructie, noemde hij formidabel. `Mijn Balkan was Brussel', placht Hombach te zeggen. Eerder waren Franse en Italiaanse adviesbureaus, die hulpprogramma's voor Albanië en Macedonië doorlichtten, tot de slotsom gekomen dat ook compententiestrijd tussen donoren en corruptie in de uitvoering van projecten hardnekkige fenomenen zijn.

Donorconferenties vormen steeds vaker een vast onderdeel in de internationale conflictbeheersing, zegt onderzoeker Dick Leurdijk van het Nederlands instituut voor internationale betrekkingen, Clingendael. Incidenteel kwamen ze in de jaren tachtig al wel voor – zelfs voor Afghanistan, na het vertrek van het sovjetleger in 1998. Maar van een echte doorbraak is volgens hem sprake sinds secretaris-generaal Boutros-Ghali van de Verenigde

Naties in 1992 zijn Agenda for Peace lanceerde.

Na de verdwijning van de oost-westtegenstelling, die na de Tweede Wereldoorlog het denken in de internationale betrekkingen had gedomineerd, kwam er volgens Leurdijk onder de label van post-conflict peace-building ruimte voor nieuwe modellen en instrumenten. ,,De essentie is dat je je verplicht tot nazorg, zodra je je gaat bemoeien met een conflict'', aldus Leurdijk. ,,Er wordt vrijwel geen conflict meer beslecht zonder dat nazorg wordt geboden.''

Wereldbank-directeur Wolfensohn noemt nazorg een noodzakelijke voorwaarde voor het definitief oplossen van internationale conflicten. ,,Het is geen kwestie van luxe, en het is ook geen kwestie van charitas. Het is een kwestie van eigenbelang.'' Hij kan zich niet voorstellen dat het westen miljarden dollars aan de oorlog in Afghanistan spendeert om de boel vervolgens op zijn beloop te laten.

Voor de wederopbouw van Afghanistan staat de Wereldbank, spil in het internationale miljardenspel, een soort drietrapsraket voor ogen. Na de eerste inventarisatie van de `hulpbehoefte' – een grove schatting die dient als richtsnoer voor de rolverdeling tussen de potentiële donoren – is het volgens Wolfensohn cruciaal dat er snel een geldstroom op gang komt. Die moet de interim-regering in staat stellen (een begin van) binnenlands bestuur op te zetten, en de mensen aan te trekken en op te leiden die daarvoor nodig zijn.

,,We zullen zelfs bureaus en auto's voor ministers en salarissen voor bepaalde ambtenaren moeten geven. Drugs, wapens en vechten waren de belangrijkste bronnen van inkomsten voor Afghanistan, maar deze drie vormen van economische activiteit moeten verdwijnen'', zei Mark Malloch-Brown, hoofd van het VN-ontwikkelingsprogramma gisteren in Tokio.

Vervolgens kunnen de hulpprogramma's worden verfijnd en komen wegen, politie en justitie, onderwijs en gezondheidszorg aan de orde. Waarna ze ten slotte zullen worden toegespitst op het aanzwengelen van `correcte' economische bedrijvigheid.

Nazorg mag dan steeds meer integraal onderdeel van conflictbeheersing worden, een garantie voor succes is hij niet. Kort na het vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen (in Oslo, najaar 1993) besloot een internationale donorconferentie tot omvangrijke steun (in totaal 5,3 miljard dollar) aan de Palestijnse gebieden. Het gaat te ver om dit als weggegooid geld te beschouwen, maar het leidde niet tot meer stabiliteit in het Midden-Oosten. En ook de druk die een soortgelijke donorconferentie in 1998 op Zimbabwe legde, sorteerde niet het beoogde effect.

Tegenover deze teleurstellingen staan ook bemoedigende resultaten van internationale samenwerking bij wederopbouw na conflicten. Zo wijzen nazorgmanagers met enige tevredenheid naar Libanon, Oost-Timor, Sierra Leone en Vietnam. En naar het Balkanpact. Want ondanks de gesignaleerde gebreken en zijn kritiek zei ook Hombach onlangs in deze krant: ,,We lijken het vredesproces op de Balkan

aardig onder controle te hebben gekregen.'' En daar is het uiteindelijk om te doen.