Vonk: orgelende Bruckner en Messiaen

De handgebaren van de zittend dirigerende Hans Vonk, gehandicapt door het syndroom Guillain-Barré, weerkaatsten zaterdag in de spiegel van het Concertgebouworgel. Het was alsof het instrument wilde meespelen in Bruckners Negende symfonie. Visueel werkte Vonks visie beeldend sterk, zowel overtuigend in de grote, nergens verslappende vorm, als in de plastiek van het detail. Frappant hoeveel uitdrukking een vrijwel bewegingsloze dirigent wist de ontlokken aan Bruckners plooibare strijkersthema's! Het herinnerde aan Otto Klemperer, die in het midden van de jaren zestig Beethoven eveneens zittend dirigeerde. Daarbij trok een rilling door de zaal, als hij zich een enkele keer van zijn zetel verhief, om maar te zwijgen over het effect op de musici.

Ook Messiaens Et expecto resurrectionem mortuorum (`En ik wacht op de opstanding der doden') weerspiegelt het werk van een organist. Geschreven voor achttien houtblazers, zestien koperblazers en zes slagwerkers, dient het een dodenherdenking voor beide wereldoorlogen, Babylonisch kolossaal en meer streng dan plechtig als een Grande symphonie van Berlioz. De gitzwarte schildering van de afgrond in akkoorden met alle twaalf de chromatische tonen als een uitdrukking van de nachtelijke vertwijfeling van Christus aan het kruis, zet meteen de toon, oogverblindend hel doorbroken door een schreeuw als een blikseminslag in Es-klarinet, piccolo en D-trompet.

Deze typische zwart-wit-stemming blijft behouden, ondanks alle toegevoegde kleurigheid, zelfs als er sprake is, zoals in het vierde deel, van een bejubeling van de Verrijzenis van Christus. Slechts twee vogels laten zich horen, opmerkelijk bescheiden voor Messiaens doen. Nog opvallender is dat de opgewekte exaltatie van de ringleeuwerik maar een brabbelroepje is vergeleken met de atonale expressie van de Braziliaanse uirapuru, die zijn magisch timbre pas laat horen in het stervensuur.

Het contrast met de menselijke warmte in Bruckners symfonie is groot. Dáár voert de afgrond wel degelijk naar een milde bevrijding. In de woorden van Anton Webern: `Je ziet Bruckner ten hemel stijgen, steeds verder en hoger, tot de hemel boven hem zich opent in het laatste, zachtste, lang aangehouden E-groot van de tuba's en de hoorns. Bestaat er iets mooiers dan dit Adagio?' Messiaen geeft echter in 56 afschrikwekkende en ongenaakbare slagen van de gongs en tamtams voor eens en altijd vorm aan de nietigheid van de mens.

Zo was dit een concert waarbij je na afloop met al die oorverdovend orgelende klanken in je hoofd enigszins versuft tegen het tramhokje aanleunde. Bestaan er werkelijk, zoals Messiaen meende, gasvormige sterren die functioneren als orgelpijpen? Is er in de hemel één constant lawaai? Gelukkig, daar is lijn 12.

Concert: Radio Filharmonisch Concert o.l.v. Hans Vonk. Gehoord 19/1 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 22/1, 20.30 uur.