Prachtwijf uit België

De Belgen zijn er bijna verlegen mee dat ze dezer dagen over zoveel sporttalent beschikken. Ingetogen, bijna nuchter in vergelijking met de manier waarop hun noorderburen internationale triomfen menen te moeten vieren, omarmen ze hun sportiefste landgenoten. Het zou de Belgen allerminst misstaan wanneer zij als Nederlanders de straat opgingen om hun successen luister bij te zetten. Maar ze doen het niet, misschien wel als een reactie op de Oranjemanie.

Ze hebben toch Jacques Rogge, een innemende chirurg die met zijn soberheid en integriteit meer vertrouwen wekt binnen het Internationaal Olympisch Comité dan de luidruchtige en zichzelf overschattende Nederlanders – en daardoor voorzitter werd. Ze hebben in Robert Waseige een voetbalbondscoach die zichzelf en zijn medemensen beter kent en respecteert dan de gewezen bondscoach die Nederland tot voor kort moest dulden – en mede daardoor met het Belgische voetbalteam aan het wereldkampioenschap mee kan doen.

Terwijl Nederlanders zich voorbereiden op de ziekelijkste aller reeds bestaande goudkoortsen – de goldrush der Oranjeschaatsers in Salt Lake City – hopen de Belgen op weer een succesje van hun tennismeisjes Justine Henin en Kim Clijsters in Australië. Tennis? Ja, in vergelijking met het regionale schaatsen toch een wereldsport. Ja, in tennis zijn de Belgische tieners zowaar succesvoller dan Nederlandse schaatssters. Twee meiden – een uit Wallonië, een uit Vlaanderen – die geweldige Amerikaanse, Spaanse, Russische en Duitse meiden van de tennisbaan slaan alsof het slappe Nederlandse meisjes zijn.

Met genoegen kijk ik vaak naar de Belgische televisie, vooral wanneer zich sporters laten zien en zich op scherpvriendelijke toon laten ondervragen. Van biljarter Raymond Ceulemans en olympisch voorzitter Jacques Rogge tot veldrijder Mario Leclercq en tennisster Kim Clijsters – ze hebben niet dat genante Nederlandse vertoon. Die blosjes op de wangen van Kim Clijsters, dat realistische van haar vader Lei (eens een gevierd en realistisch verdediger in het Belgische nationale voetbalelftal) – dat spreekt meer tot de verbeelding dan de euforie van Nederlanders.

Kim Clijsters, 18 jaar pas, kloek en bazig wanneer ze op de tennisbaan staat, ziet er uit als een Nederlandse. Stevig, vol en gedreven. Maar wanneer ze wat moet zeggen is er niets Nederlands aan haar. Dan maakt zich een verlegenheid van het meisje uit Bilzen, Belgisch Limburg, meester die week maakt. Wat is dat toch met Belgische vrouwen met Belgen? In het verleden maakte ik Belgen mee met dezelfde karaktertrekken: wielrenners vooral – Eddy Merckx en zo. Ze leken zich te schamen voor hun kracht, hun strijdlust en hun kannibalisme. Ze wilden alles winnen, ze zeiden het niet, ze deden het.

Wat is dat toch dat Belgen als Kim Clijsters zoveel uit zichzelf halen? Verwonder ik me ten onrechte en heb ik per definitie als Nederlander een lage dunk van Belgen? Nee, allerminst, het is juist de bewondering voor Belgen. Dat ze gewoon doen, gewoon blijven, zichzelf proberen te zijn en toch succesvol zijn. Belgen kunnen ieder in hun eigen taal vertellen wat hen bezighoudt, wat hen drijft, waarom ze zo graag goed willen zijn, waarom het leven goed is.

Als ik Kim Clijsters zie spelen, hoop ik dat ze wint. Dat ze vooral wint van die Amerikaanse lellebellen. Dat ze wint en gewoon blijft, met dezelfde blosjes op de wangen. Dat ze slechts een talentvolle sportvrouw is, die grinnikt van verlegenheid en verzwijgt dat haar moeder een veel zwaardere strijd voert – de strijd tegen kanker. Kim Clijsters is een prachtwijf.