Komedie Coward op fenomenaal hoog niveau

Noël Coward was in 1966, toen hij A song at twilight schreef, hopeloos uit de mode. Als entertainer was hij populair, maar als toneelschrijver niet meer. De geciseleerde conversatietoon waarmee zijn personages uit de gegoede kringen zichzelf als poseurs door de mand lieten vallen, was verdrongen door het aanrechtrealisme van de angry young men – en bij hen voelde Coward zich niet thuis. Niet voor niets liet hij zijn hoofdpersoon in dit stuk mopperen over de jongeren van de jaren zestig. Ze waren hufterig, smoezelig en onverschillig. En daarmee bedoelde hij ongetwijfeld ook het toneel dat ze schreven.

Pas sinds Coward is herontdekt als de briljante ontmaskeraar van de kringen waarin hij zelf bij voorkeur verkeerde, wordt ook erkend dat hij in A song at twilight, enkele jaren voor zijn dood, dieper en verder in eigen vlees sneed dan voordien. Het stuk gaat over een schrijver die door een verstandshuwelijk een façade heeft opgetrokken rondom zijn – anno 1966 nog steeds illegale – homoseksualiteit, maar door een vroegere minnares dreigt te worden ontmaskerd. In die schrijver valt vooral Somerset Maugham te herkennen, die volgens Coward zijn echtgenote misbruikte om zijn ware aard te verbergen. Zelf maakte Coward zich aan zulke hypocrisie niet schuldig, maar ook hij bleef angstvallig in de kast, net als de schrijver in het stuk: zijn minnaar heette zijn secretaris. Het kan dus niet anders of hij had het ook een beetje over zichzelf. Al was het maar omdat hij de minnares over 's mans schrijverschap meesmuilend laat zeggen: ,,Techniek, maar wat nog meer?''

Toen het stuk in 1967 door de Haagsche Comedie voor het eerst in Nederland werd gespeeld – met Paul Steenbergen, Myra Ward en Ida Wasserman – schreef de recensent van het Algemeen Handelsblad honend dat Coward een `bekladder' van andermans reputatie was ten bate van zijn eigen `gladde roem'. Nu het hier 35 jaar later ten tonele wordt gevoerd door het theaterbedrijf van Joop van den Ende, kijken we daar iets anders tegenaan. We zien een stuk dat duidelijk de sporen van een voorbije tijd vertoont. Terwijl de intrige ook in de kortste samenvatting (zie hierboven) al bij voorbaat wordt onthuld, vult Coward de hele eerste helft met omtrekkende bewegingen. De bom barst pas als de pauze aanbreekt. En ook daarna blijft de dialoog, hoe geraffineerd ook, nog langdurig om de hete brij heen cirkelen. Dat zijn we niet meer gewend.

In een klassiek ingerichte hotelsuite, met uitzicht op de lichtjes aan de andere kant van het meer, draaien de drie hoofdpersonen om elkaar heen: de schrijver, zijn dienstbare vrouw en de vroegere vriendin die hem komt ontmaskeren en haar motieven pas tergend langzaam prijsgeeft. Willem Nijholt, die ook de elegante en inventieve vertaling maakte, speelt de hoofdpersoon – aanvankelijk als een verwende nuf in een fluwelen huisjasje, maar allengs als de tot in zijn ziel gekrenkte man die zijn kaartenhuis in elkaar ziet storten zonder dat hij zelf nog controle over de situatie heeft. En dat laatste vindt hij misschien nog het ergst. Pleuni Touw is, met vlammend rode Beatrix-coupe, zijn uitdaagster, een intrigante die af en toe even laat doorschemeren waar het haar in werkelijkheid om gaat, terwijl Anne-Wil Blankers manmoedig de trots van de echtgenote overeind houdt.

In de doordachte regie van de eminente Ton Lutz, waarin de tekst boven alles gaat, is Lied in de schemering vooral een virtuoze demonstratie van toneelspelerstechniek. De manier waarop Nijholt ineenkrimpt als zijn tafelgenote zich iets te rechtstreeks uitdrukt, is onverbeterlijk. Wellevendheid tot de dood erop volgt, dat is de levenswijze van hun personages, en de spelers schitteren in het ongemak dat ontstaat zodra die goede manieren in gevaar worden gebracht. Dit is geen komedie die op de snelle lach mikt, maar hier zijn drie acteurs aan het werk die feilloos het komische effect weten te vinden waar Coward het verstopte. Zie hoe Anne-Wil Blankers de man het zwijgen oplegt met zo'n zinnetje als: ,,'t Is tijd voor je blauwe pil'' – dat is komedie spelen op fenomenaal hoog niveau.

Het moge zo zijn dat homoseksuelen nog lang niet overal onbekommerd uit de kast kunnen komen, maar op die actualiteit kan een stuk als dit geen passend antwoord meer vormen. Nu is het alleen nog bezienswaardig om drie hogeschool-acteurs te zien, die op het toppunt van hun kunnen staan.

Voorstelling: Lied in de schemering (A song at twilight) van Noël Coward, door Joop van den Ende Theaterproducties. Spelers: Willem Nijholt, Pleuni Touw, Anne-Wil Blankers en David Goddyn. Decor: Jan Klatter. Kostuums: Yan Tax. Regie: Ton Lutz. Gezien: 20/1 in de Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 1/6. Inl. (0900) 3005000, www.musicals.nl