EU moet snel cultuurbeleid ontwikkelen

Amerikaans entertainment overspoelt de Europese markt. Ten onrechte doet de EU er weinig aan om de concurrentiepositie van de Europese cultuurindustrie te versterken, meent Anna van Bodegraven.

Exportartikel nummer één van Amerika is – naar gelang de buitenlandse politieke situatie – defensie of entertainment. Afzetgebied nummer één voor de producten van het Amerikaanse entertainment is Europa.

In het Verdrag van Maastricht kreeg de Europese Unie tot taak bij te dragen aan de bloei van de culturen in de lidstaten door middel van niet-commerciële samenwerking en uitwisseling tussen de culturen. Uitdrukkelijk wordt daarbij het subsidiariteitsbeginsel genoemd. Als een lagere overheid op een bepaald terrein zijn eigen peultjes kan doppen, dient terzake geen Europese regelgeving gesteld te worden. Geen bemoeienis dus van de Europese Unie met de cultuur. Intussen loopt vooral de muziekindustrie op tegen het Europese non-beleid.

De muziekindustrie in Europa zorgt voor ruim een miljoen banen, nog daargelaten de banen die aanverwant aan de sector zijn. Er gaan gigantische bedragen om. Des te merkwaardiger is het dat uit niets blijkt dat Europa deze markt serieus neemt. In plaats van alert te zijn op het versterken van de concurrentiepositie van de Europese cultuurindustrie, blijven zaken liggen.

Zo wordt piraterij niet afdoende bestreden door Europese regelgeving. Ook een Europees antwoord op de vraag hoe effectief nationale auteursrechtenorganisaties, zoals de Nederlandse BUMA, op de Europese markt kunnen zijn blijft uit. Van het vrije verkeer van personen en goederen, een streven waartoe de Europese Unie zich heeft verplicht, merkt de muzieksector nog niet veel. De belemmering die worden opgeworpen door bijvoorbeeld nationale fiscale regels zijn ontmoedigend voor elke muziekgroep, die een tour wil maken door Europa. En waarom verschillen de percentages voor BTW waarbij muziek in het hoge en bijvoorbeeld boeken in het lage tarief vallen? Dit plaatst de muzieksector in een ongunstige concurrentiepositie.

Doorgaans wordt een onderscheid gemaakt tussen gesubsidieerde cultuurproducten en overige cultuurproducten, die gemakshalve onder de noemer commercieel worden gevat. Dit onderscheid valt ongeveer samen met de opvattingen over wat onder hoge cultuur en onder lage cultuur begrepen moet worden. De ongesubsidieerde cultuurproducten bevinden zich in een oneerlijke concurrentiepositie ten opzichte van de gesubsidieerde. Goed beschouwd is verschil tussen gesubsidieerde en commerciële cultuurproducten schijn. Het zal zich gaan wreken als de Europese Unie volhardt in de opstelling dat onder cultuur gesubsidieerde cultuur verstaan moet worden en dat de lidstaten dat wel regelen en het daar verder bij zou laten.

Het ware beter indien alle zeilen worden bijgezet om de concurrentiepositie van de Europese cultuurindustrie zo sterk mogelijk te maken, in plaats van halfslachtige uitzonderingen te maken in verdragen. De oneerlijke verschillen in de positie op de markt zullen in een geïntegreerd Europa op den duur niet gehandhaafd kunnen blijven.

Gegeven de economische Europese integratie is de beste garantie voor het behoud van de vitaliteit van de Europese cultuur in al zijn diversiteit een goed werkende Europese markt, waarin de Europese cultuurindustrie een stevige positie kan innemen. Kleine ondernemingen moeten door mededingingswetgeving worden beschermd zodat zij niet uit de markt worden gedrukt door grote ondernemingen, die nu eenmaal de neiging hebben te monopoliseren. Alleen als de Europese cultuurindustrie kan floreren heeft de diversiteit die zo kenmerkend is voor de Europese cultuur een kans om te blijven bestaan en zich verder te ontwikkelen.

Neemt de Europese Unie de cultuur niet serieus dan zullen de Amerikanen de Europese distributiekanalen (de kabel, concertorganisaties, vergunningen voor zenderfrequenties enzovoort) voor een schijntje kunnen opkopen omdat zich geen andere kapitaalkrachtige opkopers zullen melden. En meer nog dan nu het geval is zullen Amerikaanse cultuurproducten hier gesleten worden. Zij zullen geen noemenswaardige concurrentie van cultuurproducten van Europese bodem te duchten hebben.

Totdat de Europese Unie inziet dat behoud en versterking van de positie van de Europese cultuur een zaak is waarvoor met financiële verve gestreden moet worden.

Anna van Bodegraven is beleidsadviseur en bestuurslid van Vereniging Democratisch Europa.