Erken het Zeeuws

Nederland krijgt er steeds meer talen bij. Het Fries, het Nedersaksisch en het Limburgs werden in de jaren negentig door de Nederlandse regering erkend volgens het Europees Handvest voor Regionale Talen en Talen van Minderheden. Vorig jaar diende de provincie Zeeland een aanvraag in voor erkenning voor het Zeeuws. Staatssecretaris Gijs de Vries van Binnenlandse Zaken neemt hier binnenkort een beslissing over. Hij heeft negatief advies gekregen van de Nederlandse Taalunie, maar de staatssecretaris kan weinig anders doen dan de gevraagde erkenning geven.

De aanvragen van het Nedersaksisch en het Limburgs heeft de regering slechts marginaal getoetst. Terecht. Over de vraag of een bepaalde variant een dialect is of een zelfstandige taal kun je wetenschappelijk weinig zeggen; dat is een politiek vraagstuk. De definitie van het Europees Handvest komt erop neer dat een regionale taal `voldoende' moet verschillen van de officiële taal van het land. De taalkundige kan eventueel zeggen hoeveel twee taalsystemen van elkaar verschillen, en bijvoorbeeld dat de situatie van het Zeeuws sterk lijkt op die van het al erkende Nedersaksisch, maar nooit of dit verschil `voldoende' is. Daarover moet de democratie beslissen. Een taal is een taal als de sprekers van die taal dat willen en ze voldoende anderen van hun standpunt kunnen overtuigen.

Het Fries heeft bij de eerdere besluitvorming een hogere mate van erkenning gekregen (`volgens deel III' van het Handvest) dan de andere twee (`volgens deel II'). Waar de erkenning van het Nedersaksisch en het Limburgs vooral een symbolische functie heeft, houdt de erkenning van het Fries een pakket aan maatregelen in over onder meer de omroep en het onderwijs. De erkenningsaanvraag van het Zeeuws gaat ook over het bescheidener deel II.

Anders dan in eerdere gevallen heeft de Nederlandse regering nu om advies gevraagd aan de Nederlandse Taalunie, de overheidsinstelling die het gezamelijke Vlaams-Nederlandse beleid op het gebied van taal en letteren dient uit te voeren. Dit advies is negatief. Niet omdat het beleid in het Nedersaksische en het Limburgse negatief is uitgepakt; de betrokken provincies hebben de erkenning aangegrepen om zich actief in te zetten voor de streektaal. Maar de Taalunie is `niet overtuigd' dat het Zeeuws de status van taal verdient.

Dit argument verdoezelt dat de discussie gaat tussen een centralistisch beleid vanuit de kantoren van de Taalunie in Den Haag, of een beleid waarin een en ander wordt gedelegeerd aan de provincies en andere lokale autoriteiten. Het Taaluniebeleid is nog geheel niet van de grond gekomen. Je kunt je bovendien afvragen of een bureaucratisch apparaat als de Taalunie wel de eerst aangewezen instantie is om dit soort beleid naar zich toe te trekken. Alle reden om de provincie Zeeland een kans te geven.

Marc van Oostendorp is onderzoeker op het Meertens Instituut.