Een Amerikaans soort mecenas

De Nederlandse multimiljonair Jacob Gelt Dekker haalde een achterstandsbuurt op Curaçao uit het slop, bouwde er een luxe-hotel, en vestigde er een museum voor slavernijgeschiedenis. Studievriend en strafpleiter Gerard Spong: ,,Bij hem vergeleken voelde ik me soms een broekie.''

Zo onbekend als multimiljonair Jacob (Jaap) Gelt Dekker (53) in Nederland is, zo bekend is hij op Curaçao. Dekker dankt zijn naam en faam aan het hoteldorp `Kurá Hulanda' (Hollands Hofje), dat hij vestigde in de voormalige achterstandswijk Otrobanda.

Hij restaureerde de wijk nauwgezet en deed er alles aan om het karakter van de buurt intact te laten. Chollers (verslaafden) die de wijk domineerden, bood hij aan om voor hem te komen werken. Verder richtte hij in Otrobanda een congrescentrum op, een naar hemzelf genoemd wetenschappelijk instituut en een museum voor slavernijgeschiedenis.

De bemoeienis van de blanke Nederlander met `hun slavengeschiedenis' is de Antillianen niet in het verkeerde keelgat geschoten. Integendeel, zijn initiatief trekt toeristen naar het eiland en dat levert werkgelegenheid op. De door Dekker gebezigde vergelijking van de slavernij met de holocaust (`black holocaust'), levert hem veel goodwill op bij de bevolking. En al klaagt hij in zijn column in de Caraïbische editie van het Algemeen Dagblad vaak over traag werkende ambtenaren die alleen voor steekpenningen harder gaan lopen, toch willen velen hem daar niet kwijt. Zo zou toenmalig premier Suzy Römer zich persoonlijk hebben ingezet om Dekker voor Curaçao te behouden toen hij na een ruzie het eiland dreigde te verlaten. Dat Dekker weigert zich te voegen naar de bestaande machtsverhoudingen op het eiland, bleek ook twee jaar geleden. Toen shockeerde hij de organisatie en toehoorders op een seminar ter gelegenheid van het tienjarige bestaan van de NIB Capital Bank. Hij overviel als gastspreker de toehoorders (iedereen die op het eiland iets voorstelt was aanwezig) met een uiterst kritische speech, waarin hij onder meer stelde dat het eiland wordt verpest door zakkenvullers en vriendjespolitiek.

In Nederland dook zijn naam op in de kolommen van het zakenblad Quote. Dat schatte onlangs zijn vermogen op 150 miljoen gulden. Dat bouwde Dekker op met tal van activiteiten. Zo was hij samen met compagnon en vriend voor het leven John Padget eigenaar van `One hour fotoshops' en hadden ze een aanmerkelijk belang in de autoverhuurketen `Budget rent a car'. Ook maakte hij een deel van zijn fortuin met handel op de beurs van Tokio. En passant schreef Dekker een kinderboek over Afrika dat in het Nederlands, Papiaments en Spaans werd uitgebracht.

Quote omschrijft de miljonair als ,,een excentrieke voormalige tandarts met een kleurrijk CV''. In de top 500 van rijke Nederlanders staat hij dit jaar op plaats 258. Dekker heeft ingewijden gezegd dat zijn vermogen eerder rond de 600 miljoen gulden ligt, maar volgens Eric Smit van Quote is dat schromelijk overdreven. ,,Ik heb zijn vermogen met 150 miljoen gulden positief ingeschat.''

Dekker wordt beschreven als een zakenman, die hard kan zijn als dat moet, maar ook als erudiete filantroop. Directeur marketing Johannes Henriques van het Curaçao Tourism Bureau vertelt: ,,Ik ken Dekker als koppig, in de goede zin van het woord. Hij weet wat hij wil, neemt geen blad voor zijn mond. Daardoor botste hij wel eens met autoriteiten, die hem naar zijn idee te lang op zijn bouwvergunningen lieten wachten.''

,,Toen ik hem voor het eerst ontmoette, voelde ik meteen dat hij geen projectontwikkelaar was. Jacob Dekker hield van ons eiland, hij was snel een van de Curaçaoënaars. Een groot deel van de bevolking vindt hem sympathiek, óók doordat hij als blanke man dat originele slavenmuseum liet bouwen. Ik krijg tranen in mijn ogen als ik de plek zie waar die lijfeigenen in een schip aan kettingen lagen vastgeketend. Dekker vergelijkt de slavernij met de holocaust, dat sloeg hier ook goed aan.''

Maar niet iedereen is het met die – oorspronkelijk van Martin Luther King afkomstige – vergelijking eens. Gert Oostindie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Leiden zegt: ,,Ik vind het heel erg goed dat Dekker aandacht vraagt voor de slavenhandel. Hij doet veel goede dingen op het eiland, maar het mag geen karikatuur worden. De holocaust was bedoeld om mensen te doden. De slavenhandel om geld te verdienen, en als gruwelijk bijeffect zijn er heel veel mensen door omgekomen.''

Eric Smit van Quote vindt dat Dekker de slavernijgeschiedenis een ,,geheel eigen draai geeft. Volgens mij maakt hij die groter dan ze is. Ik weet niet waarom hij dat doet. Misschien om de lokale bevolking te paaien.''

Historicus Gert Oostindie typeert Dekker als een ,,Amerikaans soort mecenas. Dat kennen we in Nederland eigenlijk nauwelijks, iemand met zoveel geld die goede dingen doet. Mogelijk dat Dekker iets wil achterlaten. Hij heeft geen kinderen.''

De `Amerikaanse mecenas' blijkt een goed verzorgde, slanke man met halflang blond haar en blauwe ogen. Onder zijn roodwit gestreept shirt en zijn kakibroek draagt hij witte gympies, zonder sokken. Hij oogt als een jonge god. ,,Komt door de Prednison'', lacht hij op zijn werkkamer op Curaçao. Hij is herstellende van huidkanker.

Dekker is door de behandelingen tegen kanker ,,seksueel onvermogend'' geraakt. ,,Na 1976 heb ik, door mijn ziekten, geen seksuele relaties meer gehad. Daar heb ik mee leren leven. Met John heb ik een goeie band, hij is next to kin: hij wordt als eerste gebeld als er iets met mij is.'' Verhoudingen met vrouwen mislukten. ,,Ik had ooit verhoudingen met twee vrouwen, die strandden allebei toen ze een kind wilden.''

Zijn appartement bevindt zich boven het slavenmuseum Kurá Hulanda, in Willemstad op Curaçao, op een steenworp van de Annabaai met zijn inmense cruise-schepen. Op tafel liggen een peniskoker ,,van de inca's'' en een antiek Ethiopisch aureool. ,,Gekregen van mijn vriend Ernias Selassi, de kleinzoon van de vermoorde keizer''.

Over de tweezitsbank hangt een tijgervel, tegen de wand staat 'een ceremonieel huwelijksbed' uit Indonesië, met hout en goud-lamee, donkerrode gordijnen en enkele slangen. De sultan en de prinses brachten daar hun eerste nacht door, vertelt Dekker.

Over zijn drijfveren doet hij luchtig. Het slavernijmuseum bijvoorbeeld `moest er komen' nadat hij ontdekte dat vlak achter zijn eerste huis in Otrobanda de plek lag waar vroeger de schepen met duizenden slaven uit Afrika aanmeerden.

De sloppenwijk Otrobanda vond Dekker ,,een prachtobject om te restaureren. Waar vind je zoiets nog, meestal liggen er maar twee of drie vervallen huizen bij elkaar.'' Hij ziet zijn activiteiten als privé-ontwikkelingshulp. ,,Je kunt ook op je geld gaan zitten, maar wat heb je daaraan?'' Zijn vestiging op Curaçao is volgens Dekker toeval. ,,Ik had ook in India kunnen beginnen.''

Dekker probeert de investeringen in het museum en het er aan gelieerd onderzoeksinstituut, dat hij van zijn eigen naam voorzag, terug te verdienen met inkomsten uit het luxe-hotel dat in april wordt geopend. Daar kost een overnachting minimaal 250 dollar per nacht. Dekker schat dat hij ongeveer honderd miljoen gulden heeft geïnvesteerd in het gebied.

Architect Anko van der Woude, geboren en getogen op Curaçao, is één van de architecten die betrokken was bij de restauratie van het hoteldorp, het slavenmuseum en het congrescentrum. Hij vertelt: ,,Dekker lette persoonlijk op ons werk, en met kennis van zaken. Bij het herstel van de woninkjes, bijvoorbeeld, stond hij geen concessies toe. Alles moest in de oorspronkelijke staat.''

Of Dekker geliefd is op Curaçao? Van der Woude zegt: ,,Er zijn twee kampen: het ene mag hem heel graag, het andere vindt dat hij in die buurt te snel te werk gaat en dat hij er verkeerd aan deed het complex te ommuren. Het is beveiligd, er staat een bewaker bij de ingang. Van de andere kant: het is voor iedereen toegankelijk.''

Dekker, die in Amerika, Nederland en op Curaçao huizen bezit en de hele wereld over reist, had in sociaal opzicht een armoedige jeugd. Hij werd in 1948 geboren in Oterleek, tegenwoordig onderdeel van Alkmaar. De eerste vrouw van zijn vader, een joodse, kwam met haar kind om in de oorlog. Vader Dekker dook onder in de Schermer bij een kinderrijk gezin. Hij nam later een van de jongste kinderen, een meisje dat al een zoon had, als werkster in huis. ,,De buurt sprak daar schande van'', aldus Dekker, ,,dus zijn ze maar getrouwd. Toen werd ik geboren. 'Ik heb nooit van je moeder gehouden', zei pa later tegen mij.''

Er heerste een 'vreselijke sfeer' thuis, weet Dekker nog. ,,Zeker toen mijn moeder, drie jaar na mij, nog een meisje kreeg dat vermoedelijk niet van mijn vader was. De haat tussen vader en moeder was heel groot, en die werd overgedragen op de kinderen. Ik durfde geen vriendjes mee naar huis te nemen. Soms zie ik nog foto's van mijn middelbare school. Op mijn dertiende, veertiende en vijftiende had ik steeds exact dezelfde trui aan, terwijl we best geld hadden.''

Nadat Dekker de HBS in Alkmaar had afgerond, vertrok hij naar Amsterdam. Hij werd uitgeloot voor rechten en medicijnen en koos toen voor tandheelkunde. Hij ontpopte zich tot een uitermate serieuze, gedisciplineerde student.

Na zijn studie tandheelkunde aan de Universiteit van Amsterdam hield Dekker meer dan tien jaar praktijk aan de Amsterdamse Keizersgracht. Toen hem dat begon te vervelen, verruilde hij het tandartsenbestaan voor dat van zakenman. Bij die beslissing speelde ook mee dat Dekker voor de eerste keer kanker kreeg, aan zijn schildklier. Vanuit het ziekenhuis begon hij met het verhandelen van onroerend goed.

Volgens praktijkgenoot en studievriendin Lucy Prent was Dekker een hele goede tandarts, maar het verbaasde haar niet dat hij ermee ophield. ,,Hij had zoveel talenten. Hij zag en ziet overal kansen. Hij is iemand met in vele opzichten een scherp oog. Hij kan bijvoorbeeld ook heel goed fotograferen.'' Prent herinnert zich dat Dekker al tijdens zijn studententijd de hele wereld over reisde. ,,Van elk trimester was hij minstens een maand op reis, hij regelde altijd bijbaantjes waarvoor hij moest reizen. Prent ziet Dekker als ,,ontdekkingsreiziger''. ,,In de ruimste betekenis van het woord.''

Strafpleiter Gerard Spong was een studievriend van Dekker, ze zagen elkaar in Amsterdam bijna dagelijks. ,,Hij was al heel snel een man van de wereld. Ik voelde me bij hem soms een broekkie. Terwijl ik op mijn solexje naar de universiteit tufte, vloog hij drie keer per jaar naar Aspen. Jacob was ook vroeg thuis in het gay-uitgaansleven en hij heeft mij daar wegwijs in gemaakt. Hij is een zeer integere, intelligente man, maar ook heel veeleisend.''

,,Zijn motto, toen en nu is: geen gezeur, hard werken en nog eens geen gezeur en hard werken. Jacob leeft zeer gesloten, in zichzelf gekeerd, ascetisch bijna. Toch staat hij wel open voor mensen. Maar selectief.''

Volgens Spong heeft Dekker zijn ziekte in relatieve eenzaamheid doorgebracht. ,,Slechts enkelen liet hij toe in zijn huis in Key West. Hij heeft veel pijn gehad, maar er was geen dag van jammeren. Hij heeft de dood nuchter in de ogen gezien. Ik heb daar veel respect voor.''

Over zijn huidkanker zegt Dekker zelf: ,,Vorig jaar ben ik daarvoor zeven keer geopereerd. Ik ben niet aan een chemokuur of bestraling begonnen. Liever korter en goed leven dan een leven vol ellende. Het perspectief? 95 procent van patiënten als ik gaat binnen vijf jaar na de ingrepen dood, 5 procent blijft leven.''