Van Wad tot Loverboy

Tot nu tot werd de herkomst van woorden vooral op woordniveau bestudeerd. En erg diep gespit werd er eigenlijk niet. Het Chronologisch Woordenboek van Nicoline van der Sijs heeft daar op slag verandering in gebracht.

Bloem, arm, bliksem, helm, droom, galm, adem, duim. Zijn er gewonere woorden denkbaar? En toch gebruikt niemand meer deze manier om met het achtervoegsel -m van een werkwoord een zelfstandig naamwoord te maken. Bloeien wordt bloem, helen (bedekken) wordt helm. Maar pas sinds eind vorig jaar het Chronologisch Woordenboek is gepubliceerd, weten we zeker dat deze oude Germaanse taaltruc is uitgestorven, in 1697 met schalm (in de betekenis van kettingschakel). Vrijwel alle aldus gevormde woorden stammen uit de Middeleeuwen.

Het woordenboek, waarin meer dan 18.000 woorden uit het huidige Nederlands chronologisch gerangschikt staan op hun oudst bekende vindplaats, is het werk van Nicoline van der Sijs, die er op promoveerde in de Taalkunde. De nooit eerder toegepaste chronologische ordening levert een schat van gegevens op over structurele veranderingen in de taal en de woordenschat. Ook van het achtervoegsel -te, zoals in breedte (ca. 1215), dikte (1351) en ruimte (1564) stammen de meeste vormingen uit de Middeleeuwen, maar het is nog altijd niet helemaal uitgestorven. In 1858 duikt ineens `goedkoopte' op en in 1973 bedacht Wim T. Schippers nog het inmiddels volkomen ingeburgerde `gekte'.

Het kloeke, 1164 pagina's dikke Chronologisch Woordenboek bestaat voor de helft uit de lijst van 18.000 woorden. De andere helft bestaat uit toegankelijk geschreven analyses van deelcategorieën van de lijst: leenwoorden, inhoudelijke categorieën als dranken (vrijwel allemaal leenwoorden), dieren, taboewoorden, enzovoorts. ``Ik vind het heel belangrijk dat ook leken toegang hebben tot dit soort informatie', zegt Van der Sijs op haar werkkamer in een tot `ondernemerscentrum' omgebouwde oude fabriek, net buiten het centrum van Utrecht.

Voorheen werd etymologie vrijwel uitsluitend op woordniveau bedreven, met sterke nadruk op de oudst bekende vorm van het woord en vaak ook met een sterke weerzin tegen recente leenwoorden. Met haar promotiewerk heeft Van der Sijs nu min of meer eigenhandig de systematische etymologie uitgevonden. Voor andere talen is zoiets nog nooit gedaan. Tijdens haar werk aan het Etymologisch Woordenboek (1989, tweede druk 1997) ergerde Van der Sijs zich al geregeld aan het gebrek aan een breder kader waarin de herkomst van woorden geordend kon worden. Dankzij de vele digitale bestanden die nu bestaan kon ze het Chronologisch Woordenboek in een paar jaar voltooien. Voorheen zou zoiets een schier onmogelijke onderneming zijn geweest. Van der Sijs: ``Er zijn grote bestanden op cd-rom: het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), het Middelnederlands Woordenboek. Het zoeken is nu veel eenvoudiger geworden. Vroeger wist je: dit woord is Middelnederlands, maar uit welke eeuw? Dat was maar van een klein aantal woorden bekend.'

``Ik begin altijd met de oudste bronnen', zo vertelt Van der Sijs over haar werkwijze. ``Als ik vermoed dat het Middelnederlands is, dan kijk ik eerst in de Wachtendonkse Psalmen, uit de tiende eeuw. En natuurlijk in het Middelnederlands Woordenboek. Dan kijk ik in het WNT. En als het niet in het WNT staat, pak ik uit verschillende periodes een woordenboek, als peildatum. Bijvoorbeeld Meijers Woordenschat uit de zeventiende eeuw. Of Kramers Woordentolk uit de negentiende.' Het is daarbij zaak om goed op de betekenis te letten. ``Voor dit boek is alleen naar de huidige betekenis gekeken. Het woord `symfonie' kwam bijvoorbeeld ook al in de Middeleeuwen voor, maar dan in de betekenis van `meerstemmig gezang'. Pas in de negentiende eeuw duikt het dan weer op in de huidige betekenis, en die heb ik gedateerd (1824). In een etymologisch woordenboek moet je die oudere betekenis er natuurlijk wel bijzetten, dat gaat ook over de oudere vormen en betekenissen.'

Aan een universiteit of onderzoeksinstituut is Van der Sijs niet verbonden. Ooit werkte ze als slavist op het Slavisch Instituut in Utrecht, totdat dat werd opgeheven. Het naambordje staat nog op haar werkkamer. Van der Sijs werkte tijdens haar studie al voor Van Dale-woordenboeken en zette die praktijk als freelancer voort. ``Het voordeel van freelancen is dat je zelf je tijd kunt indelen. En je produceert meer, omdat je aan de universiteit je tijd ook aan andere dingen moet besteden. Het heeft wel nadelen, vooral in inkomen natuurlijk. Maar het is heel fijn dat je mooie boeken kan maken.' Van der Sijs zit niet stil. Zo publiceerde ze in 1996 het vuistdikke Leenwoordenboek, in 1998 `Geleend en uitgeleend. Nederlandse woorden in andere talen & andersom', in 1999 `Taaltrots. Purisme in een veertigtal talen', en in 2000, samen met Jaap Engelsman, `Nota Bene. De invloed van het Latijn en Grieks op het Nederlands' - en dat is nog niet eens alles. En er komt meer. ``Ik wil een uitleenwoordenboek schrijven: Nederlands in andere talen. En ik ben hoofdredacteur van een dialectenreeks van de SDU, met voor ieder dialect een apart boekje. Verder ben ik bezig met een boekje over de taaldiscussies in de zeventiende eeuw.'

Haar werkkamer staat vol met kasten gevuld met woordenboeken en encyclopedieën. ``De belangrijke woordenboeken heb ik allemaal hier op mijn kamer staan. Ik zit voortdurend op mijn knietjes tussen de boekenkasten. Lang niet alles is trouwens voorhandig in bibliotheken, het meeste ligt in privé-bibliotheken. Zoals hier dus.' Het in het Chronologisch Woordenboek onderzochte corpus van 18.000 woorden stelde Van der Sijs samen door uit te gaan van de 30.500 woorden uit de door haarzelf samengestelde tweede druk van Van Dale's Etymologisch Woordenboek (1997) te vergelijken met Koenen's Woordenboek en met de Nederlandse ingangen van Van Dale's vertaalwoordenboeken. Veel vaktaal, veel eigennamen en veel woorden die alleen in uitdrukkingen voorkomen (zoals `berde') legden daarbij het loodje. Verder voegde Van der Sijs nog 1700 woorden toe, waaronder omissies als het eufemistische `achterste' (1567), dierennamen als `mensaap' (1914) en typisch moderne woorden als `provo' (1965), `stalker' (1997) en `mwah' (1996). Van der Sijs: ``En waar ik zelf wel tevreden over ben is dat ik ook woorden heb toegevoegd die bijna nooit voorkomen in etymologische woordenboeken, zoals tussenwerpsels (bijvoorbeeld `welnee' 1567; `kiekeboe' 1665), voegwoorden (`dus' 1350; `echter' 1642), telwoorden (`miljoen' 1510; `heleboel' 1785) en lidwoorden ('het' 1370).'

Het is fascinerend om te bladeren in de lijst. Het oudste Nederlandse woord is `wad', in het jaar 107 genoemd in de plaatsnaam `Vadam'(het huidige Waddenooijen) door de Romeinse historicus Tacitus. En het een na oudste woord is, zeer toepasselijk, `twee', ca. 230 afkomstig uit de provincienaam Tuihanti (Twente), genoemd in een andere Romeinse bron. En zo gaat het verder, met het woord `opgetogen' in 1461, `rodekool'in 1554, `waanzin' in 1832 en `receptionist'in 1956 tot en met de woorden `weblog', `toppie joppie' en `loverboy' in het jaar 2000. Na de Middeleeuwen valt vooral op dat de achttiende eeuw relatief weinig nieuwe, nog altijd gebruikte woorden heeft opgeleverd - een onverwachte bevestiging van het oude beeld dat deze eeuw slaperig en weinig dynamisch was. In het onlangs verschenen boek `1800' verdedigen de historici Kloek en Mijnhardt juist dat deze eeuw wel degelijk veel intellectuele actie en discussie bracht.

U zet een corpus hedendaags Nederlands terug in de tijd. Maar wat zegt dat over de taal van bijvoorbeeld de zeventiende eeuw? Er zijn natuurlijk ook zeer veel woorden verdwenen.

Sijs: ``Wat ik vind zijn de neologismen uit vroeger tijd die zijn blijven bestaan en dus langdurig waarde hebben gehad. Welke nieuwe benamingen ontstonden in de zeventiende eeuw. Er was toen een zeer grote toename van nieuwe woorden, dat zie je nu nog! Kennelijk was de zeventiende eeuw heel belangrijk voor de huidige maatschappij.'

De herkomst van woorden is zeker interessant in zichzelf. Maar wat is de functie van de etymologie binnen de taalkunde als geheel?

'Kijk, etymologie werd tot nu toe heel sterk bedreven op woordniveau. Dan werd er naar een woord gekeken en de geschiedenis daarvan uitgespit. En het totale bestand aan aldus onderzochte woorden was niet eens zo groot 8 à 10.000 woorden maximaal, en dan vooral erfwoorden en oude leenwoorden. Pas het Etymologisch woordenboek van Van Dale is met nieuwe leenwoorden begonnen. En erg diep werd er niet gespit in de oude traditie. De geschiedenis werd vrij kort beschreven, in een woordenboek-item. Pas de laatste jaren zijn er ook wel woordgeschiedenissen beschreven, maar dat gaat om niet veel woorden, een paar honderd misschien. En een overzicht was er al helemaal niet. Daarom wilde ik kijken naar woorden op groepsniveau. Dan zie je ineens regelmaat. Dat bijvoorbeeld meerdere groepen achtervoegsels blijken te verdwijnen in de zestiende eeuw is natuurlijk niet toevallig. Er gebeurde toen ontzettend veel met de taal. Ik kan nu voor het eerst zien op welke gebieden en in een welke periode er veel uit een bepaalde taal wordt geleend. Als je alleen naar woordniveau kijkt, blijft etymologie in feite een verzameling curiosa. Als je naar grotere woordreeksen kijkt, krijg je veel meer inzicht in de vraag welke veranderingen in de maatschappij invloed hebben op de taal en welke niet.'

U gebruikt het huidige Nederlands als een soort archeologisch corpus. Beter zou het natuurlijk zijn om al die dingen te onderzoeken met de complete taal uit de periode zelf, niet alleen de huidige overblijfsels daarvan.

``Maar als je dan alleen het Middelnederlands neemt, heb je niet genoeg. Dan weet je niet wat er aan voorafging of wat erna kwam. Dan heb je alleen een dwarsdoorsnede. Maar inderdaad, aan het einde van mijn boek pleit ik voor het opstellen van een complete database, met ook alle verdwenen woorden uit vroeger tijd, met etymologie en al.

``Maar je moet ergens beginnen. En een corpus van 18.000 woorden is groot genoeg om betrouwbare uitspraken te doen. Vijfhonderd woorden is te weinig. Het Hedendaags Nederlands van Van Dale bevat zo'n 80- à 90.000 woorden, maar het merendeel van die woorden is een samenstelling of afleiding.'Was de woordenschat vroeger even groot als nu?

``Dat is moeilijk te zeggen, maar ik denk dat de woordenschat nu groter is. Want de maatschappij zit veel ingewikkelder in elkaar, er zijn veel meer dingen om te benoemen. Maar of je dat in het dagelijks gebruik zal merken? Ik weet het niet. In een agrarische maatschappij heb je veel meer namen voor beesten, karren enzovoorts. Die woorden zijn weer verdwenen. We weten trouwens niet eens hoe groot de huidige woordenschat is. Want met de samenstellingen die je in het Nederlands voortdurend kunt maken, is er eigenlijk geen beperking.'

Wat zijn de interessantste inzichten die u aan deze exercitie heeft overgehouden?

``Bijvoorbeeld de herkomst van de leenwoorden: uit welke talen en in welke periode over welke onderwerpen. Daar was tot nu toe niets van bekend. Ik ontdekte zo dat we uit het Japans pas vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw woorden hebben geleend. In de zeventiende en achttiende eeuw was het aantal Japanse leenwoorden vrijwel nul, terwijl de Nederlanders toen toch al als enige Europese natie handel dreven met Japan. Zo ook de Indonesische leenwoorden: pas in de negentiende eeuw, en niet al in de periode van de eerste contacten. En vroeger was altijd de stelling dat in de Franse Tijd juist geen woorden van het Frans werden geleend. Want dat was de taal van de bezetter! Inderdaad, het aantal Duitse leenwoorden uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog is vrij klein. Maar voor het Frans blijkt daar niets van waar te zijn. Er werden juist véél woorden geleend. Geschiedkundigen weten wel waarom: er waren toen heel veel vernieuwingen op het gebied van bestuur: de grondwet, het metrieke stelsel, het Rijksmuseum, enzovoorts. Taalkundigen hebben dat verband nooit gelegd. Uit de achttien jaar direct na de Franse Tijd (leenwoorden worden niet direct opgeschreven) hebben we nu 490 nieuwe uit het Frans geleende woorden over. Ter vergelijking: uit de achttien jaar ervoor zijn dat er 170.'

De betrouwbaarheid van de datering is natuurlijk altijd een probleem. Er kan altijd weer een oudere tekst opduiken waarin ook dat ene woordje staat. Is dat geen probleem? Als je naar de moderne woorden kijkt denk je soms: `nou, dat gebruikte ik al eerder'.

``Die gedachte is heel onbetrouwbaar hoor! Dat moet altijd worden bewezen met schriftelijke bronnen. En je moet ook goed voor ogen houden dat ieder jaartal staat voor het eindpunt van een periode, van tien, vijftien jaar, soms zelfs langer. Je weet nooit of een woord niet al langer in kleine kring wordt gebruikt. Voor die jonge dateringen zeg je al gauw: dat is toch vijf jaar ouder! Maar zo'n marge van vijf jaar is niet relevant.'

En in de acceptatie van woorden gebruikt u het woordenboekcriterium dat het moet zijn `ingeburgerd'?

``Ja, in feite wel. Voor de woorden die niet in het WNT staan, bazeer ik me op woordenboeken en volg dus de criteria van de lexicografen. Ik kijk wel eens verder, maar op grote schaal is dat bijna niet te doen. Alleen van de laatste tien jaar bestaan grote corpussen van teksten.'

Als u twintig jaar zou blijven doorzoeken, zouden er dan veel dateringen veranderen?

``Niet structureel, denk ik. Ik had alle woorden gedateerd en toen verschenen de aanvullingen van het WNT. Ik gebruik meer woordenboeken, zij baseren zich meer op citaten. Er waren duizend woorden die zij ouder hadden. Maar er waren óók duizend woorden die ik ouder had. Het interessante was dat bij de overgrote meerderheid van die gevallen, zowel wanneer woorden van mij ouder waren als wanneer hun woorden ouder waren, het verschil minder dan 25 jaar was. Dat is een mooi bewijs dat het om zo'n periode gaat.'

Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en hun betekenissen. Uitgeverij L.J. Veen ISBN 90 204 2045 3 56,72 euro