Twaalf Nederlandse boeken is echt te weinig

Weinig landen gaan zo nonchalant om met hun eigen literatuur als Nederland. De eisen die aan scholieren worden gesteld, zijn veel te laag, vindt Anton van Hooff.

`Who are these folks?' vroeg een Amerikaanse toerist mij toen ik in het theater van Epidauros video-opnamen maakte van jonge mensen in de orchestra. Wel, ik kon het hem precies vertellen. Het ging namelijk om deelnemers aan de Euroclassica Zomerschool, die jaarlijks gymnasiasten de kans geeft Griekenland te ervaren als de plaats waar Europa is uitgevonden. Wij, docenten uit verschillende landen, geven die dertig tot zestig scholieren les, we laten hen discussiëren, drama spelen, zich verpozen op het strand en natuurlijk bezoeken we met deze ontvankelijke groep de musea en cultuurplaatsen.

De dag van de Peloponnesos eindigt steeds in Epidauros, waar het theater met zijn perfecte akoestiek tot optreden noodt. Dat jaar had de groep gezamenlijk een klaagzang uit een tragedie opgevoerd voordat de één na de ander spontaan op de middenstip van de orchestra ging staan om iets in de eigen taal te laten horen. Een Oostenrijkse leerling reciteerde uit Goethe's Faust, Svetlana van het Petersburgse Klassieke Gymnasium droeg Lermontov voor, Natasja, als baby uit India door een Luxemburgs paar geadopteerd, bracht een gedicht in het Letzenburgs en een gymnasiast uit Zagreb ..... Ik ervoer een Europees sentiment dat de euro mij niet vermocht te bezorgen. Voor het eerst van mijn leven kon ik uit de grond van mijn hart tegen die Amerikaan zeggen: ,,These folks are Europeans.''

Even was het theater van Epidauros de schouwburg van de Europese cultuur. Het demonstreerde de eenheid én de verscheidenheid van onze beschaving. Slechts één wolkje hing aan de blauwe Helleense hemel: waar waren de Nederlandse scholieren? Zij bleven schichtig op de tribunes toekijken. In andere jaren hebben ze soms wel eens iets gedaan: een popsong gebracht of gezongen van de drie kleine kleutertjes op het hek. Twee jaar geleden deed Susan uit Dordrecht waarachtig iets van niveau. Ze las voor uit Shakespeare.

Hoe is het toch mogelijk dat de best geschoolde Nederlandse jongeren zo pover afsteken als het gaat om de eigen literatuur? Het antwoord is niet moeilijk: in hun opvoeding speelt belezenheid geen rol meer. Het absolute dieptepunt is bereikt in het eindexamenprogramma Nederlands voor de Tweede Fase van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. In het studiehuis wordt van de toekomstige intellectuele elite van Nederland geëist dat zij zegge en schrijve twaalf titels uit de eigen literatuur heeft gelezen, althans er een leesverslag van heeft gemaakt. Zulke leesverslagen kunnen zomaar van het internet geplukt worden. ,,Prima toch'', zeggen sommige studiehuisideologen, ,,het is het belangrijkste dat leerlingen de vaardigheid opdoen om aan informatie te komen.''

Twaalf titels zijn de minimale en – voor velen waarschijnlijk de maximale – nationaal-literaire bagage waarmee men zich aan de universiteitspoort meldt. Twee titels moeten uit de oudere Nederlandse literatuur stammen, een eis waarmee de VWO'ers zich enorm onderscheiden van de havisten, voor wie ons literaire verleden helemaal niet hoeft te bestaan.

Nederland is in Europa, misschien wel in de wereld, uniek in het veronachtzamen van zijn eigen literaire cultuur, die al in haar eerste fase meesterwerken als Van den vos Reinaerde voortbracht. Iedere Nederlander moet dat gelezen hebben.

Mijn Letse vrouw is verbluft als ze hoort van de Nederlandse eindexameneisen. In haar land leest iedere middelbare scholier van zeker vijftig auteurs minstens honderd titels. Daarbij moet bedacht worden dat de Letse literatuur, anders dan de onze, niet acht eeuwen beslaat, maar slechts de laatste honderdvijftig jaar. In het kader van haar persoonlijke programma van inburgering leest mijn vrouw Voskuil, Theo Thijssen en Nescio. Van deze laatste heeft ze al verhalen vertaald. Alleen de man met een `christelijk-historisch uiterlijk' gaf enige omzettingsproblemen. Op dit moment is zij bezig met De boeken der kleine zielen van Couperus. Waarschijnlijk heeft ze met dit volumineuze werk – waarvan ze geniet – ruimschoots voldaan aan de eis van twee oudere titels.

Al na twee jaar studiehuis begint het velen te dagen dat de vaardigheden misschien goed en aardig zijn voor de sociale vakken, maar dat het bij onderwijs niet alleen kan gaan om de skills. Zeker bij de taal- en cultuurvakken is de vakinhoud onder een aanvaardbaar minimum gedaald. Met het ene uurtje onderwijs in Duits en Frans krijgen we echt geen studenten meer terug die die talen kunnen lezen.

Bij geschiedenis heeft de verontrusting al geleid tot een succesvolle tegenbeweging. De commissie-De Rooij heeft cultuuroverdracht als centraal doel van het geschiedenisonderwijs in ere hersteld.

Sommige leraren Nederlands beginnen zich nu ook te roeren. Zij beseffen dat `communicatie' als hoogste leerdoel alles en dus niets is. Hun streven verdient steun van allen die niet verdacht kunnen worden van beroepsbelang, maar die zich verbijsterd afvragen wat voor plaats een cultuurloos Nederland in Europa denkt te kunnen innemen. Er moeten, net als in andere Europese landen, gewoon eisen van belezenheid gesteld worden aan aankomende academici, de cultuurdragers bij uitstek. Soms zie ik bij een afgestudeerde geen enkel boek in huis. Dat kan toch niet?

Op zo'n moment denk ik aan iets wat ik onlangs hoorde. Op een bepaalde school had de rector de alleraardigste gewoonte zijn leraren op hun verjaardag een boek te geven totdat hem discreet te verstaan werd gegeven dat het geschenk een aantal jonge docenten onaangenaam was: zij lazen nooit meer een boek. Hij moest maar liever een platenbon geven.

Boven de ingang van Plato's Akademie stond geschreven: geen toegang voor iemand zonder wiskunde. De toegang tot Nederlandse universiteiten moet worden ontzegd aan iedere ongeletterde.

Anton van Hooff is classicus.