Talib in Jemen

In de hoofdstad van Jemen dook twee jaar geleden een Amerikaan op.

Hij droeg een islamitisch gewaad en hoofddeksel en een rossige baard. Maar hij gedroeg zich zoals een Jemeniet zich zelden gedraagt. `Lijkbleek pakte hij zijn biezen.'

Precies twee jaar geleden ging ik naar Sana'a, de hoofdstad van Jemen, om Arabisch te studeren in het Centrum voor Arabische Taal en Oosterse Studies. Ik had het centrum een half jaar daarvoor bezocht. Het was gevestigd in een groot historisch pand midden in het oude gedeelte van Sana'a. En er liepen studenten uit allerlei landen in en uit. Het hoofd van het centrum kon met moeite tijd voor me vrijmaken. Hij had de toenmalige Nederlandse ambassadeur les gegeven, vertelde hij trots, dus ik besloot dat het wel goed zat en meldde me aan.

Maar toen ik in januari terugkwam, was van die bedrijvigheid nog weinig te merken. De houten poort zat op slot en pas na heel lang kloppen deed een stokoude portier open. Hij was de enige die in het centrum aanwezig was. Pas de volgende dag kwam ik andere studenten tegen. Ze waren op één hand te tellen en er zat geen enkele vrouw tussen. Ik was de enige vrouwelijke student en zou dat ook blijven.

Aan de kwaliteit van het onderwijs lag het niet. De klassikale lessen werden door gebrek aan medestudenten individueel gegeven.'s Ochtends door een man die volgens het boekje lesgaf en 's middags door Samar, een vrouw van midden twintig. Ze arriveerde van top tot teen gesluierd en die sluier ging pas af zodra de sleutel in de deur van het leslokaal was omgedraaid.

Haar conversatielessen waren mijn lichtpuntjes van de dag. We kletsten wat af. Over Jemen. Over haar leven. En mijn leven. Een iets gekuiste versie, want ik wilde graag dat ze me aardig vond. Omdat haar gezondheid te wensen overliet, verhuisden we naar haar huis aan de andere kant van de stad. Dat bevond zich met een tiental andere kleine huisjes achter een grote ijzeren poort op een grote zandvlakte. Elke keer als de poort openging, stroomden de vrouwen en kinderen toe en opende zich een wereld zonder sluiers. Maar dat was pas later. De eerste maanden had ik gewoon les op het centrum. En daar woonde ik ook.

Er was een mannen- en een vrouwenhuis. Ik woonde bovenin het vrouwenhuis, in een sprookjesachtige torenkamer. Met rondom gekleurde ramen en wit gestuukte muren met uitgehakte decoraties. En met het mooiste uitzicht van de wereld. Helemaal beneden in een vertrek dat veel van een grot weg had woonde de tachtigjarige portier Saïd. En verder woonde er helemaal niemand. Alle kamers stonden leeg.

Overdag kwamen de mannelijke studenten er voor hun lessen. Buitenlanders en eenlingen. Af en toe verzamelde zich daar een groepje fundamentalisch ogende moslims: ze droegen lange gewaden en baarden en leken zich uitsluitend met religieuze zaken bezig te houden. Wat ze precies op het centrum kwamen doen, werd me nooit helemaal duidelijk. Het was mijn zaak ook niet. Zoals ik hun zaak niet was. Elke keer als we elkaar tegenkwamen, wensten ze me niet te zien.

's Nachts had ik het grote huis voor mij alleen met zijn eeuwenoude houten deuren en prachtig uitgesleten trappen. Dan zwierf ik er in het donker op de tast doorheen. En als ik de sleutel te pakken had gekregen, ging ik in het kamertje op de eerste verdieping e-mailen. Maar meestal hadden de fundamentalisten de sleutel eerder. En die gingen ze echt niet met mij delen. Ik was westers èn een vrouw. Voor hen bestond ik niet.

Het gaf me een onbehaaglijk gevoel, maar ik vatte het niet persoonlijk op. Het had ook een voordeel. Als ik eerder achter de computer zat, dropen ze af. Een enkeling zette zijn weerzin weleens overboord en sprak me aan. Of ik weg wilde gaan. Ik kon altijd later terugkomen. Maar als ik dat deed, was de kamer verduisterd en kon ik er niet meer in.

Kussen en maaien

Het mannenhuis zat al weken zonder water. De mannen losten het op door in het vrouwenhuis te douchen en hun kleding te wassen. Maar toen ook de elektriciteit uitviel, verhuisden één Duitser en twee Amerikanen van Pakistaanse afkomst naar mijn huis. Het werd drie keer zo druk.

Ik vond het wel gezellig. We aten vaak in de grote keuken samen. De Amerikanen waren zich aan het voorbereiden voor de hadj. En ze waren niet te beroerd om erover te vertellen. Voor één van hen was het de eerste keer. Hij was nerveus, bang voor de bewegende mensenmassa. De ander werkte op zijn zenuwen door smakelijk over de oorzaak van verdrukkingen te vertellen. Tijdens de hadj moet je zeven keer om de ka'ba, de heilige steen van Mekka, lopen. Als iedereen gewoon zijn baan houdt, is er niks aan de hand. Maar volgens hem willen vrouwen altijd de ka'ba kussen en maaien grote groepen Nigeriaanse en Turkse vrouwen iedereen die hun pad kruist omver.

Ze verklaarden ook het lage aantal studenten. Jemen gaat gebukt onder terroristische acties van extremistische groeperingen als de Jihad. De politie had enkele maanden daarvoor, eind 1999, een terroristische aanslag weten te verijdelen door bij Aden een auto, die aan de verkeerde kant van de weg reed, aan te houden. Bij controle bleek dat de auto barstensvol explosieven zat. De inzittenden waren allen Arabieren met een Engels paspoort, onder wie de zoon van de in Londen woonachtige Abu Al-Hamzah. Ze waren van plan geweest enkele belangrijke gebouwen in Aden op te blazen.

Vlak daarna werden op het centrum, tijdens ramadan, alle westerse studenten met een Arabische naam van hun bed gelicht, twee weken achter slot en grendel gezet en verhoord. Toen ze vrij kwamen, wilden ze allemaal maar één ding. Zo snel mogelijk naar huis terug. Sindsdien staat het centrum in een slecht daglicht en wordt het beschouwd als een broeinest voor fundamentalisme. Veel studenten met een Arabische naam krijgen geen visum meer. De Amerikaanse jongens hadden Arabische namen en vertelden dat ze maanden op hun visum hadden moeten wachten.

Er kwam nog een jongen bij ons wonen. Hij was een volbloed Amerikaan en hij had dan ook geen problemen met zijn visum gehad. Hij kwam uit Californië, maar deed er alles aan om dat te maskeren. Hij droeg een islamitisch gewaad en hoofddeksel en had zijn rossige baard laten groeien. Verder gedroeg hij zich zoals een Jemeniet zich zelden gedraagt. Hij sprak alleen bij hoge uitzondering en onthield zich van elk sociaal gebeuren. Ik zag hem wel eens met gebogen hoofd door de stoffige straten van het oude Sana'a schieten, op weg naar de moskee. Om daarna zo snel mogelijk weer naar huis terug te keren om de koran te bestuderen.

Suleyman noemde hij zich.

Saïd, de stokoude portier, was de eerste die zijn naam in de mond nam. Het ongeloof waarmee hij die naam uitsprak, sprak boekdelen. Hij begreep helemaal niets van die jongen. Hij maakte nooit een praatje. Nooit. Hij liep altijd als een zombie langs hem heen. Hij had veel jongens zien komen en gaan. Ook uit Californië. Maar zo iemand als Suleyman had hij nog nooit eerder gezien.

Het licht ging weer aan en de jongens keerden terug naar hun eigen huis. Behalve Suleyman. Uitgerekend hij bleef. Was hij me voorheen nog niet erg opgevallen, nu kon ik niet meer om hem heen. We deelden dezelfde verdieping en dezelfde badkamer.

Ik denk dat hij voor de stilte bleef. Dat ik er ook woonde was waarschijnlijk een minpuntje. Maar hij loste het goed op. Hij deed gewoon alsof ik er niet was. Ook al groette ik hem, hij hoorde me niet. Hij zag me niet. Voor hem was ik lucht.

Nitwit

We kwamen elkaar op elk moment van de dag tegen. In de hal, op de smalle wenteltrap, in de keuken. Maar hij knikte nooit terug. Niets, helemaal niets. Van zwaargelovige Jemenieten wilde ik dat negeren wel accepteren, maar aangezien hij gewoon uit Californië kwam, raakte ik zwaar geïrriteerd.

Hoe durfde een Californische nitwit me zo te behandelen? In mijn eigen huis nota bene. Een vrouwenhuis. Hij had er helemaal niets te zoeken. Waarom ging hij niet bij de mannen wonen? Ik besprak mijn ongenoegen met de bewoners van het mannenhuis. Wist Suleyman wel dat hij in het vrouwenhuis woonde? Had iemand hem dat wel eens verteld?

Ze smeekten me mijn mond te houden. Straks zaten zij met hem opgescheept. Natuurlijk hield ik tegen Suleyman mijn mond. Na weken van stug doorgroeten was ook ik monddood. Onbeleefd vond ik hem. Onbeschoft zelfs. Als de portier afwezig was, belde hij doodleuk aan en liet mij vier verdiepingen naar beneden rennen om zonder een woordje van dank naar binnen te glippen.

Irritant vond ik hem omdat hij voortdurend de badkamer bezet hield en ik in het donker twee trappen af moest dalen voor een toilet. Vies vond ik hem omdat hij zijn rossige haar in het doucheputje liet zitten. Een spook vond ik hem. Als ik in het donker door het huis liep, deed een koude luchtstroming me wel eens huiveren. En ik vond hem een islamiet van niets. Want toen de oude Saïd doodziek in zijn grot lag, had hij helemaal niet naar hem omgekeken.

Ik heb Saïd er bovenop proberen te helpen met mijn zelfgemaakte kippensoep. Op de markt vond ik een stalletje met kippen. Ik mocht er één uitzoeken en die werd voor mijn ogen geslacht. Toen ik de kippensoep tot op de laatste druppel bij Saïd naar binnen had gegoten, las ik in een Jemenitische krant dat iedereen wegens een vergiftigingsschandaal ten strengste werd afgeraden kip te eten. De oude Saïd was een taaie. Hij is er helemaal bovenop gekomen.

Achteraf denk ik dat Suleyman waarschijnlijk bang voor me was.

Als ik in de keuken kwam, liet hij het water op het vuur staan en rende hij weg. Als ik hem tegenkwam, leek hij altijd net iets harder te lopen. Als ik op het dak kwam, griste hij zijn wasgoed van de lijn en sprintte hij naar beneden. Het was niet erg gezellig om met zo iemand in één huis te wonen, maar het was wel lekker rustig.

Jaknikker

Tot hij in het kamertje naast de mijne koranlessen begon te nemen. Begonnen de lessen doorgaans om acht uur, voor Suleyman kon de dag niet vroeg genoeg beginnen. Zijn lessen begonnen om zes uur 's ochtends. Hadden de imams van Sana'a me om vijf uur met hun oproep voor het ochtendgebed niet gewekt, dan zorgde Suleyman er wel voor dat ik wakker werd. Door met de deur open, uren achtereen, hele passages uit de koran te declameren.

Ging ik naar de badkamer, dan passeerde ik de kamer waar ik Suleyman met zijn leraar als een jaknikker boven de koran zag hangen. In mijn peignoir, met de lange haren los.

De redding kwam na maanden, midden in de nacht. Er werd op mijn deur gebonkt en toen ik met mijn slaperige kop opendeed, zag ik een stralende Saïd staan.

Hij zei dat hij een vriendin voor me bij zich had en hij duwde een meisje met blond haar naar voren. Hij was dolblij voor me dat na al die maanden eindelijk een andere vrouw zich aan de poorten van het centrum gemeld had.

Haar naam was Marieke en ze kwam uit Duitsland. Toen ze Suleyman in huis tegenkwam, vroeg ze hem verbaasd waarom hij in het vrouwenhuis woonde. Ik was er niet bij, maar ze vertelde me dat hij lijkbleek werd en binnen twee minuten zijn biezen had gepakt.

Ik zag hem pas veel later weer terug. Op de televisie. En zelfs toen herkende ik hem niet. Hij had een tijd in een fort in Mazar-i-Sharif gevangengezeten en hij had een kogel in zijn been.

Ik herkende hem pas toen ik een artikel over hem las en een foto van hem als tiener zag. Pas toen ging er een schok van herkenning door me heen. Hij was achttien toen hij in Jemen woonde. Ik had hem door zijn baardgroei veel ouder gegeven. En hij was pas twintig toen de CIA hem arresteerde.

De Amerikanen waren op veel voorbereid. Maar niet op een Talibaan-strijder die zichzelf Suleyman noemt, maar eigenlijk John Walker heet. John Walker Lindh zal als burger worden berecht door een federale rechtbank, onder meer op verdenking van `deelname aan een samenzwering om Amerikanen te vermoorden'. Die kan hem de doodstraf niet opleggen. De hoogste straf is levenslang.