Snurkbeugel

Sinds het verschijnen van het artikel `Nachtonrust' (W&O, 13 oktober 2001), geschreven door prof.dr. M.A.J. Eijkman, wordt zowel ACTA, het samenwerkingsverband van de tandheelkundefaculteiten van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit, als het UMC St. Radboud in Nijmegen met zekere regelmaat benaderd door snurkers die zich een intra-oraal apparaat (`snurkbeugel') willen laten aanmeten door een van onze tandartsen. Die wens wordt nog eens versterkt door andere publicities in verschillende kranten, waarin gesuggereerd wordt dat snurkklachten relatief eenvoudig met dergelijke apparaten kunnen worden opgelost.

Hoewel de snurkers zich met hun wens wel degelijk tot de juiste instellingen hebben gewend, is het voor velen een teleurstelling om te vernemen dat intra-orale apparaten alleen maar op indicatie van een arts/specialist vervaardigd mogen worden. Sterker nog: het effect van een dergelijk apparaat dient regelmatig polysomnografisch, dat wil zeggen in een slaaplaboratorium, gecontroleerd te worden, omdat er een kans op inductie of verergering van het obstructieve slaapapnoesyndroom (OSAS) bestaat.

Aangezien OSAS een aandoening is met mogelijk ernstige (onder andere cardiovasculaire) gevolgen, is zelfaanschaf, via een tandarts of tandtechnicus, absoluut ongewenst. Deze benadering is in overeenstemming met de in 2001 gepubliceerde richtlijn `Diagnostiek en behandeling van OSAS', die tot stand is gekomen onder auspiciën van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

Als Eijkman in zijn artikel schrijft dat ondanks de grote rol van de tandarts bij het vervaardigen van een intra-oraal apparaat de eindverantwoordelijkheid voor de behandeling blijft liggen in handen van de arts, dan is dat geen zin om luchtigjes overheen te lezen.