Oude vla en medailles toe

Geleerde genootschappen zijn er nog volop in Nederland maar alleen die van Teyler schrijven nog ieder jaar een prijsvraag uit. Het Tweede Genootschap bekroonde onlangs een prentenstudie met goud.

De tweede vrijdag van november houdt Jaap Kistemaker, emeritus hoogleraar natuurkunde en nog dagelijks op het AMOLF in Amsterdam te vinden, zijn agenda vrij. ``Al komt de koningin op bezoek'', zegt hij op zijn werkkamer in de Watergraafsmeer, ``dan is dat jammer want die dag is al bezet. Die tweede vrijdag is aan het Spaarne in Haarlem de reguliere bijeenkomst van Teylers Tweede Genootschap en in de agenda van alle leden is dat een heilige datum.''

Toen Pieter Teyler van der Hulst in 1778 overleed voorzag zijn testament onder meer in de oprichting van twee genootschappen: het Godgeleerd Genootschap en het Tweede Genootschap. Hun voornaamste taak bestond uit het uitschrijven van een jaarlijkse prijsvraag, met als doel het bevorderen van de wetenschap. Het Tweede Genootschap telt zeven leden wie de zeventig passeert wordt buitengewoon lid veelal afkomstig uit vakgebieden die gerelateerd zijn aan collecties in Teylers Museum: natuurkunde, mineralogie en paleontologie, literatuur, teken- en schilderkunde en penningkunde. De eerste prijsvraag, direct in 1778 uitgeschreven, droeg als titel: `Gephlogisteerde en gedephlogisteerde lucht'. De inzending van Martinus van Marum, de latere conservator van het fysisch kabinet van Teylers Museum, bleek goed voor een gouden medaille.

Sindsdien komen de vakgebieden bij toerbeurt aan bod. In ongeveer de helft van de gevallen komen er een of meerdere inzendingen binnen en in een kwart van de gevallen komt het tot een bekroning. Zoals tijdens de afgelopen vergadering, vrijdag 9 november. Toen werd 's middags in de gehoorzaal van Teylers Museum een gouden medaille uitgereikt aan Erik Hinterding, voor zijn beantwoording van de prijsvraag met als onderwerp `een kritische beschouwing aangaande een facet van de Nederlandse prentproductie'. Hinterding, werkzaam bij de Parijse Fondation Custodia, is specialist op het gebied van het identificeren van prenten aan de hand van nevenkenmerken, zoals de papiersoort. Kistemaker: ``Op zo'n dag is het voor ons feest.''

vergadering

Eerder op die vrijdag was de reguliere vergadering van het Tweede Genootschap in de Kleine Herenzaal van het Fundatiehuis, het vroegere woonhuis van Pieter Teyler. De ruimte heeft een koele schouw met een dof uitgeslagen spiegel, er hangen vijf stadsgezichten op Haarlem en boven de deur prijkt een portret van Pieter Teyler. Voorzitter van het Tweede Genootschap is de astronoom Harm Habing; de overige leden zijn de ecoloog Louise Vet, de penningkundige Arend Pol, de mediaevist Wim Gerritsen, de wetenschapshistoricus Rob Visser (tevens Teyler-hoogleraar te Leiden), de kunsthistoricus Ilja Veldman en de historicus Maarten Brands. Van de buitengewone leden is Kistemaker, die in 1957 toetrad, de oudste.

Op die bijeenkomst worden allerlei vormelijkheden in acht genomen. Kistemaker: ``Helemaal de achttiende eeuw, en dat moet je vooral handhaven. Om tien uur is er koffie en om half twaalf serveert het jongste lid van het genootschap port. Weer een uur later krijgen we de voorgeschreven maaltijd. Al bijna 225 jaar bestaat deze uit worteltjes met een soort vla erover, aardappels en een moot kabeljauw, en een glas speciale witte wijn. Aan het hoofd van de tafel zit de voorzitter, thans professor Habing. Hij geeft spreekbeurten: `hoe gaat het er mee?', `vertel eens wat', allemaal heel formeel. Ook bespreken we wat het onderwerp van de volgende prijsvraag zal zijn. Mijn idee is dat je vooraf met personen die in aanmerking komen om een antwoord te formuleren contact zoekt. Alleen dan krijg je prijsvragen die leven.''

Iets na half twee meldt zich iemand van de huishouding van Teylers Museum. Kistemaker: ``Die opent de deur en roept: `De heren worden verzocht om bij de heren te komen' een beroemde kreet. In gelid gaan we dan door de gang naar de Directeurenkamer, pal naast de Ovale Zaal. Daar staan de aanwezige directeuren van Teylers Stichting op een rijtje om ons de hand te schudden. Vervolgens doet de voorzitter van Directeuren verslag van wat het afgelopen jaar op Teyler is voorgevallen, en vertelt de voorzitter van het Tweede Genootschap welke prijsvraag wordt voorgedragen. Het is een toneelstuk. Later delen Directeuren schriftelijk mede of zij akkoord zijn. Soms staan ze op een redactionele verbetering. Het zijn veelal juristen, dus daar hebben ze best kijk op.''

Op 1 januari moeten de antwoorden op een prijsvraag binnen zijn inzenders hebben drie jaar de tijd. Kistemaker: ``Die datum luistert nauw. Ik heb eens meegemaakt dat iemand zijn inzending over gasontlading twee dagen te laat instuurde. Dat was een drama. Het lid dat de betreffende prijsvraag heeft uitgeschreven schakelt deskundige adviseurs uit den lande in om antwoorden te beoordelen. In maart vergadert het Tweede Genootschap dan over de vraag of de eventuele inzendingen bekroonbaar zijn. Directeuren moeten met een voorstel hiertoe akkoord gaan.''

zeeuwsch

Van de nog bestaande genootschappen van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap via het Natuur- en Letterkundig Genootschap Physica te Alkmaar tot het Haagse Diligentia zijn die van Teyler de enige die het instituut prijsvraag altijd in ere hebben gehouden. Volgens het testament van Teyler zijn ze daartoe ook verplicht. Het Tweede Genootschap heeft de afgelopen jaren overwogen ze af te schaffen en te vervangen door iets moderners, bijvoorbeeld een promotiebeurs, maar Directeuren van Teylers Stichting hebben dat geblokkeerd. Inmiddels is de vernieuwingsdrang geweken en is bij de leden het besef doorgedrongen dat deze `unieke rariteit' moet blijven voortbestaan.

Afgelopen november was bij het uitschrijven van de nieuwe prijsvraag (voor 1 januari 2004 te beantwoorden) een historisch onderwerp aan de beurt: `Gevraagd wordt een essay waarin de vraag centraal staat welk belang aan Europa, respectievelijk de Europese integratie voor Nederland werd en wordt toegekend vóór en na de revoluties van 1989/1991'. Zojuist gesloten is de inzendtermijn voor een prijsvraag over penningkunde, over muntsoorten die vanaf de late Middeleeuwen tot circa 1800 in de Noordelijke Nederlanden circuleerden. Er zijn geen antwoorden binnengekomen.