Misplaatste euforie

De organisaties van werkgevers en werknemers zijn het eens geworden over ingrijpende wijzigingen van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. In de Sociaal-Economische Raad is gisteren een akkoord op hoofdlijnen gesloten. Brede overeenstemming tussen de direct betrokkenen over een van de meest rotte plekken van het sociale zekerheidsstelsel zou beschouwd moeten worden als een zeer welkome doorbraak. In dit geval is het toch anders. Want de afgelopen twee decennia werden de sociale partners het al een paar keer eerder met elkaar eens over forse aanpassingen van de WAO. Het nettoresultaat was telkens bedroevend. Nederland is – afgaande op het aantal arbeidsongeschikten dat inmiddels dicht tegen het miljoen aanzit – nog steeds een doodziek land. Vandaar dat scepsis over weer een nieuw akkoord op zijn plaats is.

Net als eerder de commissie-Donner al deed proberen de partijen in de SER het aantal arbeidsongeschikten allereerst terug te dringen door de definities te veranderen. In tegenstelling tot de huidige regeling komen in hun voorstel alleen mensen die duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn (oftewel voor meer dan 80 procent) voor een WAO-uitkering in aanmerking. Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten gaan andere regelingen gelden, waarbij alle aandacht gericht is op wat zij nog wèl kunnen. Voor het nog maar beperkte aantal mensen dat aanspraak zal kunnen maken op de WAO gaat de uitkering omhoog van 70 naar 75 procent van het laatstverdiende loon over de laatste drie jaar voor de arbeidsongeschiktheid.

In deze benadering schuilt een fors risico. De aantrekkelijkheid van de regeling maakt dat gedeeltelijk afgekeurde werknemers er alle belang bij hebben in de hoogste arbeidsongeschiktheidsschaal terecht te komen. Dit geldt in het bijzonder voor mensen met psychische aandoeningen, een van de snelst groeiende categorieën in de WAO. Volgens het SER-akkoord moet de WAO worden gesloten voor arbeidsongeschikten met herstelmogelijkheden binnen vijf jaar. Niet-fysieke klachten laten zich echter moeilijk in termijnen vatten.

Het forse onderscheid lokt gedragsreacties uit. Het is vanzelfsprekend aan de keuringsartsen dit te voorkomen, maar 35 jaar ervaring met de WAO heeft geleerd dat dit maar zeer beperkt lukt. Op zichzelf is het goed om bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten de mate waarin een werknemer nog kan werken als uitgangspunt te nemen en juist niet de handicap, maar dan zal toch eerst duidelijk moeten worden aangetoond dat dit ook werkbaar is. De waarschuwende woorden op dit punt van keuringsartsen stemmen weinig hoopvol.

Een ander discutabel onderdeel van het SER-akkoord is dat de nog maar recentelijk ingevoerde gedifferentieerde premieregeling, die ervoor zorgt dat bedrijven en instellingen met relatief veel arbeidsongeschikten meer premie betalen, weer wordt afgeschaft. Dit was nu bij uitstek een prikkel voor werkgevers om door verbetering van de arbeidsomstandigheden arbeidsongeschiktheid te voorkomen.

Zeker bij het akkoord op hoofdlijnen dat nu in de SER is afgesloten zijn het de details die er toe doen. In dit geval betreft het de praktische uitvoerbaarheid. Daar zijn nog tal van vraagtekens bij te plaatsen. De politiek doet er dan ook verstandig aan niet te vroeg te juichen bij overeenstemming tussen werkgevers en werknemers. Als het om de WAO gaat, hebben deze partijen al eerder getoond ware meesters te zijn in het afwentelen van de kosten van hun onderlinge vrede op de collectiviteit.