Koloniale waren

Leestips en een literaire stoomcursus van Pieter Steinz. Uit de Nederlandse literatuur is `ons Indië' niet weg te denken.

Het jaarlijkse Winternachten-festival, dat dit weekeinde plaats heeft in het Haagse Theater aan het Spui, richt zijn aandacht op de literaire nalatenschap van Nederlands voormalige wingewesten. Schrijvers uit Suriname en de Antillen discussiëren met Hollanders die van voormalig Nederlands-Indië het voornaamste thema van hun werk hebben gemaakt; dichters en essayisten uit Indonesië en Zuid-Afrika lezen voor in hun eigen talen. Dit laatste is een treffende illustratie van het gebrek aan zogeheten postkoloniale literatuur in het Nederlands.

Terwijl ex-imperialistische naties als Engeland en Frankrijk hun literatuur verrijkt zien met schrijvers uit alle uithoeken van de wereld (Salman Rushdie: ,,The empire writes back'), moet het Koninkrijk der Nederlanden het doen met een bescheiden inbreng uit de West, waar (Exil-)auteurs als Frank Martinus Arion en Astrid Roemer de literaire traditie hooghouden. Als op 20 maart herdacht wordt dat de VOC 400 jaar geleden werd opgericht, moeten we vaststellen dat geen enkele Indonesiër literatuur bedrijft in de taal van zijn voormalige kolonisator.

Uit de Nederlandse literatuur is `ons Indië' intussen niet weg te denken. Sinds Willem Bontekoe in 1646 zijn avontuurlijke reis naar de Oost boekstaafde, werd de Nederlandse lezer vergast op een stroom reisverhalen, oorlogsverslagen en plantersmemoires. Maar de kraan ging pas goed open toen Eduard Douwes Dekker onder het pseudoniem Multatuli in 1860 Max Havelaar publiceerde – een literair pak van Sjaalman dat in de eerste plaats een aanklacht was tegen het Nederlandse bestuur in Indië. Twintig jaar later kon de criticus Conrad Busken Huet schrijven dat Nederlands-Indië literair gesproken `eene melkkoe' was: `Wanneer onze kleinzonen eenmaal aan het katalogiseren gaan, dan zullen zij zich verbazen over het cijfer der nederlandschen letterkundigen van beiderlei geslacht, door wie in de tweede helft der negentiende eeuw aan deze speen getrokken is.'

Het koloniaal verleden van Nederlands-Indië is na de Tweede Wereldoorlog en de benepenheid van de Hollandse binnenkamer waarschijnlijk het kenmerkendste thema van onze literatuur. En zoals Kester Freriks (Grand Hotel Palembang, 1979) ooit schreef in deze krant: `De boeken uit de Nederlands-Indische literaire traditie liggen in elkaars verlengde, alsof de schrijvers in een estafette het stokje aan elkaar doorgeven.' Louis Couperus schreef in navolging van P.A. Daum over de stille kracht, de goena-goena, van het oosten; Hella Haasse moderniseerde in Oeroeg het verhaal van een teloorgaande interraciale vriendschap in Augusta de Wits Orpheus in de dessa (1903); Helga Ruebsamen sloot in haar recente roman Het lied en de waarheid aan bij de afscheid-van-Indiëroman Nog pas gisteren van Maria Dermoût. En het succes van de Indische roman blijft aanhouden: twee van de grootste bestsellers van het afgelopen decennium, De heren van de thee van Hella Haasse en Indische duinen van Adriaan van Dis, zijn beide van de Indische erfenis doordrongen. The empire writes back, inderdaad, maar met een vreemde omweg en op een heel andere manier dan Rushdie destijds in Groot-Brittannië voor ogen had.