In luxe trein is `hard' reizen een vergeten wereld

,,Schenk uw kopje niet te vol met heet water, want anders brandt u gemakkelijk uw handen''. Dat is een van de eerste boodschappen die ik hoor als ik instap in de trein van Peking naar Shenyang. De tekst verschijnt ook op de lichtkrant, gevolgd door richtlijnen als: ,,Indien uw kind moet plassen of poepen, begeleidt het dan naar de wc.'' Vroeger wilde het namelijk nog weleens voorkomen dat ouders hun kinderen gewoon in het gangpad lieten plassen: het personeel kwam toch wel dweilen. Ook worden we gevraagd om geen afval op de grond te gooien en om niet zomaar overal te spugen.

Kennelijk heeft het resultaat, want de trein is smetteloos schoon en dat blijft de hele reis zo. Het is een luxe diesel-dubbeldekker met alleen `zachte stoelen', het communistische eufemisme voor de eerste klasse. Gewoonlijk hebben treinen in China voornamelijk `harde stoelen' en `harde bedden'. Vooral bij de harde stoelen is het afzien: veel gewone reizigers en kleine handelaren leggen enorme afstanden zittend of staand af, dicht opeengepropt op de harde bankjes met allerlei handelswaar en levende have tussen hen in.

Dat is in onze luxe-trein een vergeten wereld. De stoelen staan twee bij twee naar elkaar toe gekeerd, met ertussenin een tafeltje met een wit kleedje erover. Erop staat een metalen schotel, bedoeld voor schillen en ander etensafval. Voor de ramen hangen oudroze gordijntjes en witte vitrage. De bekleding van de stoelen, ook uitgevoerd in oudroze, is overtrokken met makkelijk wasbare hoezen van witte lakenstof. Naast de stoelen staat een thermosfles in een houder, met daarin het vervaarlijk hete water voor de thee.

De trein is half leeg; veel zakenmensen en ambtenaren gaan tegenwoordig met de auto of de bus over de nieuwe snelweg naar Shenyang. Personeel is er wel in overvloed. Twee opvallend lange, noordelijke vrouwen in een donkerblauw uniform zijn van de kaartjescontrole. Ze ruilen onze kaartjes in voor een plastic plaatsbewijs, dat we tegen het eind van de reis weer verruilen voor ons treinkaartje. Zo hebben ze mooi wat te doen.

Hun platte petten gaan alleen op als we een station binnenrijden, in de trein dragen ze met hun haar opgestoken in een knotje. Dan zijn er de verkopers van alle mogelijke producten die de reis voor ons aangenamer moeten maken. Zo kun je een mah-jongspel huren, of een VCD-speler om films te kijken. En er zijn de monteurs, mannen en vrouwen met hamers in de hand in uitgezakte ketelpakken. Als de trein stopt, stappen ze uit om het onderstel van de trein grondig te bekloppen en te behameren.

De trein gaat naar Shenyang, in het voormalige Mantsjoerije, in het noordoosten van China. Buiten vriest het tien graden, maar binnen is het comfortabel warm. Op mijn papieren koffiebekertje staat optimistisch een blauwe palmboom. In negen uur zullen we zo'n 900 kilometer afleggen. De trein vertrekt precies op tijd, op het perron salueert het personeel naar de vertrekkende trein.

Even denk ik dat ik vruchten in de kale bomen langs de spoorlijn zie, maar het blijken opgewaaide plastic zakken die zich hebben vastgehaakt in de takken. De hele reis door liggen, hangen er waaien er plastic zakjes als ik naar buiten kijk. Er is genoeg te eten aan boord. Het personeel draagt de waar in een ijzeren boodschappenmandje, dat met een touw schuin om de nek gebonden is. Er zijn zonnebloempitten, gefrituurde gedraaide broodjes met sesamzaadjes, gemarineerde varkenspootjes, kippenklauwtjes in sojasaus, gedroogde visschijfjes, ingemaakte koeienpezen, yoghurt met extra kalk in plastic zakjes, instant-noedels en ijsjes. Mijn boterhammen met kaas blijven nog even in hun zakje; ik zwicht voor pannenkoeken van dunne vellen tahoe, waarin verse koriander en een stukje rauwe lente-ui gewikkeld zit. Er zit een heet rood sausje bij. Zo blijf je warm in het hoge noorden.

Een lange, magere jongen die bier, cola, water en sterke drank verkoopt, komt even bij me zitten uitrusten. Hij heeft een pijnlijke schouder van het gezeul met het boodschappenmandje. Hij doet het werk nog niet zo lang. Met de dagtrein rijdt hij van Shenyang naar Peking, daar slaapt hij een nacht in het pension van de spoorwegen, en de volgende dag gaat hij weer terug.

Het is nooit lang stil in de trein. Vrijwel de hele reis komt er geluid uit het omroepsysteem: muziek, reclame, goede adviezen en handige weetjes. Alleen rond het middaguur is er geen geluid: dan ligt iedereen een tukje te doen met zijn hoofd op z'n armen op de tafeltjes. Daarna worden we weer vergast op muziek. Een potpourri met in het Chinees vertaalde nummers als O Sole Mio, Una Paloma Blanca en Heintje's oude tophit Mama.

Als we Shenyang naderen, verdwijnen de witte kleedjes van de tafeltjes in een grote waszak. Iedereen dringt zich al ver voor aankomst naar de uitgang,het geluidssysteen bedankt ons voor onze aanwezigheid. Op het perron vriezen me de oren van het hoofd. Ik ben in Mantsjoerije.