Hoofddoekjes

Leo Prick wijdde op 12 januari zijn column (`Géén burqa') aan hoofddoekjes in het openbaar onderwijs. ``Hoofddoekjes zijn bedoeld om meisjes op hun ondergeschikte rol te wijzen'', aldus Prick en omdat ``het openbaar onderwijs gelijke berechtiging van mannen en vrouwen dient na te streven, horen die dingen daar niet thuis''. Prick vindt dat het gerechtvaardigd is op een openbare basisschool hoofddoekjes te verbieden. Door het dragen van hoofddoekjes toe te staan ``fundamentaliseren'' we ons openbaar onderwijs.

Ik wil niet ingaan op de vraag of islamitische vrouwen en meisjes het dragen van een hoofdoek ervaren als het ondergeschikt zijn aan een man, wel wil ik toelichten waarom ik van mening ben dat meisjes in het openbaar onderwijs vanwege religieuze motieven een hoofddoek moeten kunnen dragen.

Het openbaar onderwijs onderscheidt zich van andere richtingen, omdat daarbinnen ruimte is voor alle religieuze en levensbeschouwelijke opvattingen en er geen enkele exclusiviteit bestaat. Openbaar onderwijs maakt de verschillen en verscheidenheid in onze samenleving zichtbaar. Binnen het openbaar onderwijs moeten de uiterlijke kenmerken van die verschillen juist niet worden ontkend of worden verboden.

Openbaar onderwijs heeft ruimte voor alle opvattingen: atheïstische, katholieke, protestantse, islamitische, liberale, socialistische, enzovoort. Mensen met heel uiteenlopende opvattingen die hun (geloofs)overtuigingen niet binnen het isolement van een zuil willen beleven, maar openstaan voor ontmoeting met andere gezindten, kunnen terecht in het openbaar onderwijs.

Respect voor verscheidenheid in (geloofs)opvattingen is een van de belangrijkste waarden in het openbaar onderwijs. Dit is een wezenlijk uitgangspunt van het openbare leven in een vreedzame, democratische samenleving als de onze. Dat respect wordt niet bijgebracht door religieuze uitingen te verbieden. Noch van personeel, noch van de leerlingen, noch van de ouders. Of het nu gaat om het al dan niet volgen van godsdienst- en humanistisch vormingsonderwijs, de gelegenheid tot gebed, uiterlijkheden als kruisjes, keppeltjes, hoofddoeken, rokken tot de enkels of om het vieren van kerstmis, suikerfeest, lichtjesfeest of Chanoeka. Iedere leerling, ouder en leraar moet de ruimte krijgen om zijn/haar opvattingen te volgen zolang hij/zij ook aan anderen deze ruimte geeft. Dit betekent niet dat we een onverschilligheid ontwikkelen ten aanzien van gedrag dat voortvloeit uit een bepaalde overtuiging. Mensen moeten elkaar kunnen aanspreken op elkaars gedrag en verantwoordelijkheid. Dat vloeit voort uit de democratische waarden en normen als openheid en respect voor elkaar.

Een openbare school is voortdurend bezig kinderen te leren omgaan met verschillen, bijvoorbeeld door belangrijke culturele en religieuze feestdagen gemeenschappelijk te vieren. Dat is overigens al heel lang praktijk op veel multiculturele scholen. Tegenover het recht in de openbare school om uiting te geven aan de eigen religie, staat de plicht tot ontmoeting met andere religies en levensbeschouwingen. Dat is een verrijking voor elk kind en een wezenlijk onderdeel van de opvoeding. De openbare school kent geen exclusiviteit van religie of levensbeschouwing, zij is er voor iedereen.