`HET IS KWAKZALVERIJ'

De veranderingen in het onderwijs zijn slecht onderbouwd, vindt prof. H. Oosterbeek. Deel twee in een serie gesprekken met deskundigen.

De ranglijsten van scholen die jaarlijks gepubliceerd worden in onder meer Trouw hebben weinig waarde, schampert hoogleraar Onderwijseconomie Hessel Oosterbeek. ``Je kunt net zo goed een dobbelsteen opgooien'', zegt hij op zijn werkkamer op de Universiteit van Amsterdam. ``Dat zou dezelfde uitkomst geven. Ik overdrijf, maar veel scheelt het niet. Als zo'n ranglijst echt iets over de kwaliteit van scholen zegt, verwacht je dat die vrij stabiel is. Als een school in het ene jaar bij de beste hoort, moet de kans groot zijn dat dat het jaar erop weer het geval is. In de Verenigde Staten is onderzocht hoe zo'n ranglijst er zes jaar achtereen uitziet. Daaruit blijkt dat er weinig samenhang is tussen de rangschikking van scholen in verschillende jaren. Scholen hebben wel enige invloed op leerlingprestaties en dus op hun plaats op de ranglijst, maar de rol van factoren waar de school geen invloed op heeft, zoals de toevallige aanleg van leerlingen, is dominant.''

De bewijzen ertegen zijn overtuigend, maar de ranglijst van scholen wordt niettemin serieus genomen, door onderwijskundigen èn door ouders. Dat er niet beter naar hem geluisterd wordt, vindt Oosterbeek ``enigszins frustrerend''. Maar vanwege de hardnekkigheid is dat ook wel ``amusant''. Frustrerend vindt Oosterbeek het vooral voor de scholen zelf, die toch al jaar in jaar uit door de overheid veranderingen krijgen opgelegd, die vervolgens weer worden aangepast omdat ze in hun oorpronkelijke vorm niet werken. ``Ik denk dat het erg demotiverend werkt om steeds met veranderingen te maken te hebben waarvan het nut niet duidelijk is. Ik sluit zelfs niet uit dat dat een voorname oorzaak van het lerarentekort is.''

Wat is de toestand van het onderwijs in Nederland?

Oosterbaak: ``Bij zo'n vraag zoek je al snel naar vergelijkingsmateriaal. En vergeleken met diverse buitenlanden lijkt het erop dat het Nederlandse onderwijssysteem goed functioneert. In elk geval zijn de uitkomsten afgemeten aan het gemiddeld kennisniveau van de bevolking relatief goed. Daar komt nog bij dat de verschillen tussen de besten en de minsten in Nederland aanzienlijk geringer zijn dan in veel andere landen. Ons systeem laat kennelijk de verschillen tussen mensen niet al te groot worden. Dat vind ik een groot goed.

``Maar we kunnen de toestand van het onderwijs in Nederland ook afzetten tegen de best mogelijke toestand. Met andere woorden: had het beter gekund? Ik denk dat het antwoord op die vraag 'ja' moet luiden. We zien dat er voortdurend grote veranderingen worden doorgevoerd zonder dat er tevoren enig bewijs is dat die veranderingen effectief zijn, en zonder dat achteraf op verantwoorde wijze wordt geëvalueerd of het veranderingen ten goede zijn geweest. Klassenverkleining in het basisonderwijs, invoering van de basisvorming en het studiehuis in het voortgezet onderwijs, de fusies in het beroepsonderwijs en de introductie van de bachelors-mastersstructuur in het hoger onderwijs, het zijn er allemaal voorbeelden van.

``Neem de klassenverkleining. Nog los van het feit dat dat in het licht van het lerarentekort een rare maatregel is, is een duidelijk verband tussen klassenverkleining en leerprestaties nooit aangetoond. Niet althans voor klassenverkleining op de schaal waaraan we nu in Nederland denken. Er zijn hier wel studies gedaan waarbij de leerprestaties van leerlingen in grote en kleine klassen met elkaar zijn vergeleken, maar die studies houden er onvoldoende rekening mee dat kinderen niet voor niets in een grote of kleine klas zitten. Dat kan te maken hebben met keuzes die hun ouders of de leraren op de school heel bewust hebben gemaakt. Het is aannemelijk dat ouders die erg betrokken zijn bij de leerprestaties van hun kinderen meer geld willen uitgeven of verder willen reizen om hun kind naar een school te laten gaan waar de klassen klein zijn. Dat zullen ze vooral doen als ze denken dat hun kinderen daar veel baat bij hebben. Aannemelijk is ook dat diezelfde ouders activiteiten ontplooien die bevorderlijk zijn voor de prestaties van hun kinderen. Wie onder die omstandigheden de prestaties van kinderen in kleine en grote klassen vergelijkt, schrijft betere leerprestaties toe aan kleine klassen terwijl daar in werkelijkheid de inzet van de ouders de oorzaak van is. En wie op zulk onderzoek beleid baseert, maakt zich welbeschouwd schuldig aan kwakzalverij.''

Hoe moet die bestreden worden?

``Je kunt een parallel trekken tussen de ontwikkeling van geneesmiddelen en van onderwijs. Artsen kunnen wel de overtuiging hebben dat wat zij hun patiënt voorschotelen het beste is, maar zeker weten doen ze dat pas als dat in een trial onomstotelijk is bewezen. Als we de analogie tussen de ontwikkeling van medicijnen en onderwijs serieus nemen betekent dat ook dat veranderingen in het onderwijs pas doorgevoerd worden als ze wetenschappelijk bewezen effectief zijn. En dat is haalbaar. Zoals in de medische wereld met controlegroepen wordt gewerkt die een placebo krijgen in plaats van het echte medicijn, zo zouden ook in onderwijsland experimenten met controlegroepen moeten plaatsvinden. Natuurlijk is het niet leuk als je kind niet wordt ingeloot voor een experiment waarvan gedacht wordt dat het werkt, maar anders dan in de medische wetenschap gaat het daarbij niet om een kwestie van leven of dood. Nu kunnen we zelfs niet uitsluiten dat leerlingen als gevolg van de kwakzalverij in het huidige onderwijsbeleid een medicijn krijgen toegediend dat ze schade berokkent.''

Kunt u een voorbeeld noemen van zo'n gecontroleerd onderzoek?

``In Israël is eind jaren negentig onderzoek gedaan naar de effectiviteit van computers ter ondersteuning van het onderwijs in taal en rekenen. Voor taal bleek er geen effect te zijn en voor rekenen werd een negatief effect gevonden. Kinderen die bij het leren rekenen gebruik maken van een computer, rekenen dus minder goed dan kinderen die op traditionele wijze hebben leren rekenen. Dat is natuurlijk maar de uitkomst van één studie, in een ander land gehouden, maar deze uitkomst zou wel een waarschuwing moeten zijn. Nu wordt veel geld, energie en frustratie gestoken in de invoering van computers in het onderwijs. Voordat we daarmee verder gaan is het volgens mij nuttig om eerst op wat kleinere schaal te onderzoeken of dat wel zo zinvol is.''

Is experimenteel onderzoek wel mogelijk op grote schaal?

``Het wordt vrijwel niet gedaan, maar het is wel degelijk mogelijk. Ervaringen in de Verenigde Staten tonen dat aan. Een aantal scholen gaat volgens een nieuwe methode werken en een aantal scholen gaat op de oude voet verder. De resultaten van beide groepen worden op vaste momenten gemeten. Het duurt een aantal jaren voor je het effect daadwerkelijk kunt vaststellen. Ik kan mij voorstellen dat dergelijke experimenten beroering opleveren in de samenleving, want iedere ouder gunt zijn kind het beste. Toch ben ik er erg voor.''

Wie zou er aan zo'n experiment willen meedoen?

``Ik denk dat heel veel mensen en scholen daar aan willen meedoen, want ze hebben daardoor kans op een vorm van onderwijs waarvan gedacht wordt dat die tot betere resultaten leidt. Ik verwacht uiteindelijk wel steun te krijgen voor zo'n meer onderzoeksgerichte aanpak. Na mijn oratie in maart vorig jaar, waarin ik hiervoor pleitte, is er bijvoorbeeld contact geweest met het ministerie van Onderwijs over de mogelijkheden van een evaluatie in de vorm van een experiment van een project rondom educatieve televisie. Daar zaten toen te veel praktische haken en ogen aan, maar het geeft wel aan dat men er open voor staat.''

Deregulering is nu het motto. Minister Hermans begint nu een experiment met `regelarme' scholen. Wat vindt u daarvan?

``Zomin als de artsen in één ziekenhuis kunnen uitvinden wat de beste behandeling is, zomin is één school in staat om erachter te komen wat het beste onderwijs is. Als ik zie hoe ingewikkeld het is om wetenschappelijk vast te stellen wat het effect is van klassenverkleining of van het gebruik van computers op leerprestaties van kinderen, dan kan niet verwacht worden dat het team van een school dat wel zomaar zou weten. Daarvoor zullen scholen gevoed moeten worden met kennis die afkomstig is uit goed uitgevoerde experimenten. Het demonstratieproject dat minister Hermans nu start met regelarme scholen is geen echt experiment. Welke scholen deelnemen is niet door loting bepaald. Er is zelf niet eens een controlegroep. Nee, van dit demonstratieproject kunnen we niet veel leren, vrees ik.''