Het einde kwam van boven of van binnen

Er zijn honderden theorieën over het uitsterven van de dinosaurussen, maar geen enkele verklaring voldoet voor iedereen.

Half in de Golf van Mexico en half onder het vasteland van het schiereiland Yucatan ligt, verborgen onder een laag gesteenten van bijna twee kilometer dik, een krater met een diameter van 180 kilometer. Uit boringen is gebleken dat deze krater 65 miljoen jaar geleden is ontstaan door de inslag van een groot object uit de ruimte, een planetoïde. Dat gebeurde dus in de tijd dat aan de heerschappij van de dinosaurussen een einde kwam. Sommige onderzoekers menen dan ook dat deze inslag de oorzaak van het uitsterven van deze oerdieren is geweest, maar anderen denken dat de gelijktijdigheid toeval is en dat de inslag hooguit het proces van uitsterven heeft versneld.

Sinds het ontstaan van het leven op aarde hebben zich voortdurend nieuwe levensvormen ontwikkeld, terwijl bestaande soorten uitstierven. In sommige tijden verdwenen echter vele soorten tegelijk en in relatief korte tijd. Deze massale uitstervingen vormen nu de grenzen van de tijdperken waarin geologen de aardgeschiedenis hebben ingedeeld. Volgens de catastrofisten zouden in deze perioden vele levensvormen door catastrofes zijn uitgeroeid, terwijl de uniformitaristen denken dat het slechts ging om een tijdelijke versterking van gewone processen in combinatie met hiaten in onze kennis van de prehistorie.

De dinosaurussen hebben heel lang, een slordige 150 miljoen jaar, op aarde geregeerd. Dat is een miljoen keer zo lang als de periode waarin geologen theorieën over de oorzaak van het uitsterven van deze dieren naar voren hebben gebracht. Die theorieën lopen uiteen van voor de hand liggende, zoals genetische uitputting en het onvermogen zich aan te passen aan een veranderende omgeving, tot zeer speculatieve, zoals de roof van de eieren van dinosaurussen door andere dieren of de voortdurende obstipatie of diarree waaraan deze reuzen uit het Jura en Krijt zouden hebben geleden. Er bestaan honderden theorieën, maar geen enkele is algemeen aanvaard.

Ruim twintig jaar geleden poneerden de Amerikaanse fysicus Luis Alvarez en zijn zoon Walter, een geoloog, dat de overgang van het Krijt naar het Tertiair, 65 miljoen jaar geleden, een buitenaardse oorzaak had gehad. Deze overgang wordt niet alleen gekenmerkt door het uitsterven van de dinosaurussen, maar ook door die van andere soorten reptielen en de meeste in zee levende organismen. De onderzoekers hadden in gesteenten uit deze K-T-grens een opmerkelijk hoge concentratie iridium gevonden: een metaal dat op aarde zeldzaam is en meer voorkomt in meteorieten. Volgens de `Alvarezzen' zou deze massale uitsterving het gevolg zijn geweest van de inslag van een reuzenmeteoriet. Die zou zoveel stof in de atmosfeer hebben geslingerd dat de aarde enige tijd in duisternis werd gehuld, waardoor voedselketens werden verstoord en vele levensvormen het loodje legden.

Het is niet zo verwonderlijk dat de inslagtheorie in de jaren tachtig snel aan populariteit won. Een buitenaardse invloed is immers een vrij `ongecompliceerde' verklaring, die sterk tot de verbeelding spreekt en bij sommigen zelfs een semi-religieus gevoel opwekt: het buitenaardse heeft tóch invloed op het gebeuren op de aarde! De theorie won bovendien sterk aan geloof toen in 1991 bij Puerto Chicxulub in Yucatan diep in de bodem het litteken van de boosdoener werd gevonden: een krater die 65 miljoen jaar geleden was ontstaan door de inslag van een ruwweg 20 kilometer grote reuzenmeteoriet. De oorzaak van het uitsterven van de dinosaurussen leek gevonden!

Maar er zat nog een adder onder het gras, of in dit geval: in de aarde. 65 miljoen jaar geleden werden in het noordwesten van het huidige India in een gebied van ruwweg 800 bij 1.000 kilometer de zogeheten Deccan Traps gevormd. Gedurende een periode van tienduizenden jaren stroomde een kleine twee miljoen kubieke kilometer lava uit de aarde, waardoor pakketten basaltgesteenten van meer dan twee kilometer dikte ontstonden. Ook hierbij kwamen gassen en vaste deeltjes vrij die het klimaat en de voedselketens flink konden hebben verstoord.

Van zware vulkanische erupties in de historie, zoals van Laki (1783) en Krakatau (1883), is bekend dat zij het klimaat op aarde langdurig kunnen verstoren. Toch zijn zelfs de zwaarste erupties in de geschiedenis in de verste verte nog niet te vergelijken met die welke de Deccan Traps deden ontstaan. Deze laatste zouden een afkoeling van 4 tot 10 graden kunnen hebben veroorzaakt. Bovendien zou de zeer lange duur van de vulkanische activiteit een veel dodelijker cocktail voor het leven zijn geweest dan de eenmalige klap van een planetoïde: het milieu kreeg lange tijd niet meer de kans zich te herstellen.

Aanhangers van deze theorie voelen zich gesteund door het feit dat in de afgelopen 300 miljoen jaar, toen de continenten naar hun huidige plaatsen schoven, in minstens tien gebieden op aarde supervulkanische activiteit heeft plaatsgevonden. Volgens de Franse geofysicus Vincent Courtillot, de Don Quichotte van de vulkaantheorie, hangen de meeste van deze vulkanische perioden nauw samen met perioden in de aardgeschiedenis waarin vele soorten uitstierven en nieuwe geologische tijperken begonnen, maar niet met inslagen van planetoïden.

De enige inslagkrater die qua ouderdom samenhangt met een geologische overgangsperiode is nog steeds de Chicxylubkrater in Yucatan. Astronomen hebben berekend dat gemiddeld iedere 100 miljoen jaar een kosmisch object inslaat dat een krater van deze omvang veroorzaakt. Grotere kraters ontstaan minder vaak en kleinere vaker. Aangezien de aarde al meer dan 4,5 miljard jaar door projectielen uit de ruimte wordt bestookt is het niet zo verwonderlijk dat er toevallig één keer zo'n inslag plaatsvond tijdens de overgang tussen twee geologische perioden.

Recent onderzoek lijkt er bovendien op te wijzen dat het maximum van de supervulkanische activiteit in India al ongeveer een half miljoen jaar vóór de inslag in Yucatan plaatsvond. Dat valt goed te rijmen met de vaststelling dat het uitsterven van de vele soorten leven aan het einde van het Krijt een gecompliceerd proces was, waarbij sommige soorten waaronder dinosaurussen al voor de inslag in Yucatan begonnen te verdwijnen. Overigens waren er toen ook vele dieren vogels, zoogdieren en amfibieën die vrolijk doorleefden.

Het beeld dat er 65 miljoen jaar geleden op aarde een bijna idyllische rust heerste, die opeens door de klap uit de ruimte wreed werd verstoord, is een grove onderschatting van de kracht en grilligheid van onze eigen planeet: met zijn uit de mantel opstijgende magmabellen, schuivende continenten, oprijzende bergketens, zeeniveauvariaties en klimaatveranderingen. Inslagen uit de ruimte hebben ongetwijfeld een invloed op de ontwikkeling van het leven gehad, maar wellicht in veel mindere mate en veel plaatselijker dan sommige catastrofisten suggereren. Want hoe valt anders te verklaren dat kosmische projectielen die in andere tijden zijn neergekomen en ook grote inslagkraters hebben achtergelaten geen enkele invloed op het leven lijken te hebben gehad.